Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1222

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-5263 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WuboArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en uitkeringsaanvraag op grond van Wubo

Appellant diende in oktober 2006 een aanvraag in om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer volgens de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), met het oog op een periodieke uitkering. Hij baseerde zijn aanvraag op gezondheidsklachten die hij toeschreef aan oorlogservaringen, waaronder het meemaken van een granaatbeschieting op het Zeeuwse dorp Eede waarbij zijn moeder overleed en zijn zuster gewond raakte.

De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag in eerste instantie af vanwege het feit dat appellant de Belgische nationaliteit bezit en in België woont, waardoor hij niet voldeed aan de toen geldende eisen van de Wubo. Na aanwijzingen dat appellant mogelijk ook de Nederlandse nationaliteit bezit, werd de aanvraag opnieuw beoordeeld en wederom afgewezen, nu primair omdat geen sprake was van blijvende invaliditeit als gevolg van oorlogsgeweld. Medische adviezen gaven aan dat de psychische klachten van appellant niet direct voortvloeiden uit de beschieting, maar uit het overlijden van zijn moeder en latere familiale omstandigheden.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het bestreden besluit deugdelijk was voorbereid en gemotiveerd, en vond geen reden om aan de juistheid van de medische adviezen te twijfelen. De Raad bevestigde dat de Wubo alleen ziet op de rechtstreekse gevolgen van oorlogscalamiteiten en dat de gevolgen van het overlijden van de moeder geen zelfstandige grond voor invaliditeit vormen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wordt afgewezen.

Uitspraak

09/5263 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats], België (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 30 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 18 augustus 2009, kenmerk BZ 9059, JZ/T70/2009, ten aanzien van appellant genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), verder: bestreden besluit
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2010. Van de zijde van appellant is niemand verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. In oktober 2006 heeft appellant, geboren op 16 april 1944, bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Die aanvraag heeft appellant gebaseerd op gezondheidsklachten die naar zijn mening verband houden met zijn oorlogservaringen, te weten het meemaken van (granaat)beschietingen op het Zeeuwse dorp Eede waarbij zijn moeder om het leven is gekomen en zijn zuster gewond is geraakt.
1.2. Verweerster heeft de aanvraag van appellante afgewezen bij besluit van 9 oktober 2007. Daarbij is wel erkend dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld, te weten een directe betrokkenheid bij de beschieting op Eede in september 1944. De aanvraag is echter afgewezen op de grond dat appellant de Belgische nationaliteit bezit en woonachtig is in België en daarmee niet voldoet aan de in artikel 3, eerste lid (oud) van de Wubo gestelde eisen. Vervolgens heeft verweerster geen bijzondere omstandigheden aanwezig geacht om met toepassing van artikel 3, zesde lid, (oud) van de Wet van deze eisen af te wijken.
1.3. Nadat aan verweerster was gebleken dat appellant mogelijkerwijs ook in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit, heeft zij na afstemming met (de gemachtigde van) appellant de onder 1.1 genoemde aanvraag opnieuw beoordeeld. Bij besluit van 24 april 2009, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster de aanvraag wederom afgewezen, nu primair op de grond dat - samengevat - bij appellant geen sprake is van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo als gevolg van het oorlogsgeweld. Daartoe is overwogen dat de bij appellant aanwezige psychische klachten en de status na maagmaligniteit niet in verband staan met het door hem meegemaakte oorlogsgeweld.
2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden en overweegt als volgt.
2.1. Blijkens de stukken is het door verweerster in het bestreden besluit neergelegde standpunt in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Deze adviezen berusten op de resultaten van een door een van deze geneeskundig adviseurs, de arts P. Windels bij appellant verricht medisch onderzoek. Uit die adviezen komt naar voren dat de (granaat)beschieting zelf niet heeft geleid tot psychische klachten (appellant was 5 maanden oud en heeft geen herinneringen aan die gebeurtenis), maar de psychische klachten moeten worden toegeschreven aan het overlijden van de moeder, het uiteenvallen van het gezin en de latere (echt)scheidingen van appellant.
2.2. Naar de Raad reeds eerder heeft overwogen (d.d. 29 april 2009, nummer 07/7048 WUBO, LJN BI3095) dient het bij de toepassing van de Wubo te gaan om de rechtstreekse gevolgen van de zelf ondervonden oorlogscalamiteiten. Dit betekent dat aan de gevolgen van het omkomen van de moeder door de (granaat)beschieting - hoe ernstig ook - bij de beoordeling van de vraag of bij appellant sprake is van invaliditeit in de zin van de Wubo geen zelfstandige betekenis kan toekomen. Hiervan uitgaande acht de Raad het bestreden besluit op grond van de uitgebrachte medische adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In de voorhanden medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunt gevonden om aan de juistheid van die adviezen te twijfelen.
3. Gezien het voorgaande moet de onder 2 geformuleerde vraag bevestigend worden beantwoord en dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.
4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2010.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) B. Bekkers.
HD