ECLI:NL:CRVB:2010:BO1059

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4546 WWB-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WWBArt. 15 WWBArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 Awb
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij afwijzing bijstandsuitkering wegens verblijf in België

Verzoeker volgt een opleiding tot verkeerspiloot en heeft hiervoor twee kredieten afgesloten. Hij vroeg bijstand aan voor bijkomende opleidingskosten en schuldaflossing, maar de Bestuurscommissie wees dit af omdat de kredieten als voorliggende voorziening worden beschouwd op grond van artikel 15 WWB Pro.

Na bezwaar en beroep wees de voorzieningenrechter het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening af. Verzoeker stelde acute geldnood te hebben en vroeg alsnog om onmiddellijke bijstand.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat sinds 8 april 2010 verzoeker in België woont en daardoor geen recht meer heeft op bijstand volgens artikel 11 WWB Pro. Het geschil betreft daardoor een afgesloten periode. Er is geen spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Het verzoek wordt daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoeker sinds 8 april 2010 in België woont en geen recht meer heeft op bijstand.

Uitspraak

10/4546 WWB-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:
[verzoeker], wonende te België (hierna: verzoeker),
in verband met het hoger beroep van:
verzoeker
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht van 2 juli 2010, 09/677 en 10/646 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoeker
en
de Bestuurscommissie Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: Bestuurscommissie),
Datum uitspraak: 12 oktober 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. R.A.U. Juchter van Bergen Quast, advocaat te Voorburg, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Namens verzoeker heeft mr. Juchter van Bergen Quast tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
II. OVERWEGINGEN
1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Verzoeker volgt een opleiding tot (verkeers)piloot. Voor de kosten van zijn opleiding heeft verzoeker twee kredieten bij de ABN AMRO ter hoogte van respectievelijk € 101.000,-- en € 47.000,-- afgesloten. Op 3 juni 2008 heeft verzoeker een aanvraag ingediend voor een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand (WWB) voor de bijkomende kosten van de opleiding en de kosten van het aflossen van zijn schuld. Bij besluit van 29 september 2008 heeft de Bestuurscommissie de aanvraag afgewezen. Aan de afwijzing is ten grondslag gelegd dat de door verzoeker in het kader van zijn opleiding tot verkeersvlieger afgesloten kredieten bij de ABN AMRO als voorliggende voorziening in de zin van artikel 15, eerste lid, van de WWB moeten worden aangemerkt, zodat hij geen recht heeft op bijstand.
1.2. Bij besluit van 16 april 2009 heeft de Bestuurscommissie het bezwaar van verzoeker tegen dit besluit ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 april 2009 ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening van 26 mei 2010 afgewezen.
3. Verzoeker heeft verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening waarbij de Bestuurscommissie wordt opgedragen om hem per direct bijstand te verlenen. Verzoeker heeft hiertoe aangegeven in acute geldnood te verkeren en grote moeite te hebben om zijn opleiding te kunnen voltooien.
4. Naar aanleiding van het verzoek om een voorlopige voorziening overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
4.1. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet (Bw) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Bw hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2. Volgens vaste rechtspraak is de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een voorlopige voorziening te doen niet bedoeld om door middel van de zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien uit de gedingstukken of uit het verhandelde ter zitting naar voren komt dat van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaande aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake (meer) is, is daarin mede een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen en het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen.
4.3. Uit de gedingstukken is gebleken dat verzoeker sinds 8 april 2010 in België woont zodat hij, gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de WWB, vanaf dat moment niet langer recht op bijstand heeft. Dit brengt mee dat het geschil in de bodemprocedure betrekking heeft op een inmiddels afgesloten periode. Gelet op deze omstandigheid ziet de voorzieningenrechter in hetgeen namens verzoeker is aangevoerd geen aanknopingspunten voor het aannemen van een zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de hoofdzaak niet zou kunnen worden gewacht.
4.5. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is, zodat de voorzieningrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak kan doen zonder zitting.
5. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2010, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) R.B.E. van Nimwegen.
IJ