ECLI:NL:CRVB:2010:BO0276
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J. Riphagen
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering Ziektewetuitkering wegens gefingeerd dienstverband
Appellante had een Ziektewetuitkering die het UWV beëindigde en terugvorderde op grond van een fraudeonderzoek dat concludeerde dat zij geen dienstbetrekking had bij het uitzendbureau. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het onderzoek voldoende aannemelijk maakte dat sprake was van een gefingeerd dienstverband.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het fraudeonderzoek onzorgvuldig was en dat de administratie van het uitzendbureau rommelig was, waardoor zij mogelijk wel werkzaamheden had verricht. Ook stelde zij dat de rechtbank onvoldoende belang had gehecht aan schriftelijke verklaringen van secretaresses.
De Raad stelde dat het UWV voldoende feiten had aangedragen waaruit bleek dat er geen dienstbetrekking was. De verklaringen van opsporingsambtenaren en het onderzoek van de administratie van inleners ondersteunden dit. Appellante kon geen verifieerbare tegenbewijs leveren. De schriftelijke verklaringen waren ongedateerd en weinig concreet, en konden het oordeel niet veranderen.
De Raad bevestigde daarom de beëindiging en terugvordering van de Ziektewetuitkering met ingang van 1 maart 2004 en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging en terugvordering van de Ziektewetuitkering bevestigd.