ECLI:NL:CRVB:2010:BN9970
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schuldig nalatig stellen voor niet-betaalde AOW-premie 2002
Appellante was door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) schuldig nalatig gesteld voor het niet volledig betalen van de over 2002 verschuldigde AOW-premie. De Belastingdienst had aangegeven dat de aanslag over 2002 ambtshalve was vastgesteld en dat appellante de verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen niet volledig had voldaan.
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van de Svb en voerde aan dat zij geen ander inkomen had naast haar uitkering en dat de aanslag onjuist was vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat bij ambtshalve vastgestelde aanslagen niet kan worden afgezien van schuldig nalatig stellen op grond van artikel 18, derde lid, van de Wet financiering volksverzekeringen (Wfv).
In hoger beroep betoogde appellante opnieuw dat de aanslag onjuist was vastgesteld. De Raad stelde vast dat de aanslag inderdaad ambtshalve was vastgesteld en dat appellante niet volledig had betaald. Het door de Svb vastgestelde percentage van 26% schuldig nalatig stellen werd niet betwist. De Raad wees ook het verweer af dat de aanslag onjuist was, aangezien artikel 18a Wfv bepaalt dat dit geen grond is om het schuldig nalatig stellen te verwerpen.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees een vergoeding van proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door rechter T.L. de Vries op 8 oktober 2010.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante voor 26% schuldig nalatig is gesteld voor het niet volledig betalen van de AOW-premie over 2002.