ECLI:NL:CRVB:2010:BN9416
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet gemelde werkzaamheden
Appellant ontving sinds 16 januari 2003 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een onderzoek van de Sociale Recherche bleek dat appellant werkzaamheden verrichtte in het garagebedrijf van zijn broer zonder dit te melden, waardoor het College het recht op bijstand met ingang van 9 oktober 2006 introk.
Het College nam een besluit op 4 juli 2007 tot intrekking van de bijstand en een besluit op 29 oktober 2007 waarin deze intrekking werd herhaald en terugvordering van bijstandskosten werd aangekondigd. Appellant maakte geen bezwaar tegen het eerste besluit, waardoor dit onherroepelijk werd. Het bezwaar tegen het tweede besluit werd ten onrechte ontvankelijk verklaard.
De Raad vernietigde het besluit op bezwaar voor zover het de intrekking betrof en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. De terugvordering van bijstandskosten over de periode van 9 oktober 2006 tot en met 31 maart 2007 werd bevestigd omdat appellant hiertegen geen zelfstandige beroepsgronden had aangevoerd. Het College werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de intrekking van de bijstand wordt niet-ontvankelijk verklaard, de terugvordering blijft gehandhaafd.