ECLI:NL:CRVB:2010:BN9392
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Vaststelling proceskostenvergoeding bij samenhangende zaken in premievaststelling UWV
Appellanten, 21 met elkaar verbonden vennootschappen, hadden premievaststellingen van het UWV over de jaren 1998 tot en met 2001 aangevochten. Het UWV had de oorspronkelijke besluiten herroepen en tegemoetgekomen aan appellanten, waardoor het materiële geschil kwam te vervallen en hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard voor dat onderdeel.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat 15 van deze zaken voldeden aan de definitie van samenhangende zaken zoals opgenomen in artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De rechtbank had deze zaken terecht als één zaak beschouwd, maar had nagelaten de proceskostenvergoeding te vermenigvuldigen met de voorgeschreven factor 1,5 voor vier of meer samenhangende zaken. Hierdoor werd de proceskostenvergoeding te laag vastgesteld.
De Raad vernietigde daarom de uitspraken voor zover zij de proceskosten betroffen en stelde de vergoeding vast op € 966,--. Tevens oordeelde de Raad dat het beroep tegen de besluiten van 9 maart 2010, waarin het UWV de bezwaren alsnog gegrond verklaarde en een kostenvergoeding toekende, ongegrond is. Tot slot veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten in beroep en hoger beroep, inclusief griffierechten.
De uitspraak benadrukt het belang van correcte toepassing van de regeling voor samenhangende zaken bij proceskostenvergoeding en bevestigt dat rechtsbijstand in dergelijke gevallen als nagenoeg identiek wordt beschouwd, waardoor een wegingsfactor wordt toegepast.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard voor het materiële deel en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten met toepassing van de wegingsfactor voor samenhangende zaken.