ECLI:NL:CRVB:2010:BN8828

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-2768 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 WWBArt. 40 WWBArt. 12 Grondwet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand wegens schending inlichtingenverplichting ondanks psychische problemen

Appellant diende op 14 december 2009 een aanvraag om bijstand in, waarbij hij aangaf dakloos te zijn en op meerdere adressen te verblijven. De gemeente Amsterdam voerde een onderzoek uit naar zijn woon- en leefsituatie, waaronder huisbezoeken op de opgegeven adressen. Tijdens een huisbezoek aan een van deze adressen gaf appellant tegenstrijdige verklaringen en weigerde hij verdere medewerking.

Het College wees de aanvraag af wegens schending van de inlichtingenverplichting, een besluit dat door de rechtbank werd bevestigd. Appellant stelde in hoger beroep dat het huisbezoek onrechtmatig was en dat hij als dakloze behandeld had moeten worden, mede vanwege zijn psychische problemen.

De Raad oordeelde dat het huisbezoek rechtmatig was, omdat er een redelijke grond was voor het onderzoek en appellant toestemming had gegeven. De Raad stelde vast dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij dakloos was en dat zijn tegenstrijdige verklaringen en weigering tot medewerking het recht op bijstand niet konden vaststellen.

Ook de door appellant aangevoerde psychische problematiek bood geen vrijstelling van de inlichtingenverplichting. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen wegens schending van de inlichtingenverplichting ondanks psychische problematiek.

Uitspraak

10/2768 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 23 april 2010, 10/723 en 10/1392 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 21 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. T.M. van Angeren, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2010. Voor appellant is verschenen mr. Van Angeren. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M. Tjen A Kwoei, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Op 14 december 2009 heeft appellant een aanvraag gedaan om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op het aanvraagformulier heeft hij bij het onderwerp huisvesting aangegeven dakloos te zijn. Bij de intake heeft appellant onder meer verklaard dat hij vijf maanden geleden uit de woning [adres 1] is gezet, omdat hij de huur niet meer op tijd kon betalen. Sinds die tijd slaapt hij voornamelijk op de adressen [adres 2] bij een vriend, genaamd [I.], verder [adres 3], ook twee hoog (adres 3), ook bij een vriend en adres 1, waar hij van de hoofdbewoner af en toe mag slapen.
1.2. De afdeling Handhaving Controle Bijzondere doelgroepen van de Dienst Werk en Inkomen (hierna: DWI) van de gemeente Amsterdam heeft een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie en het woonadres van appellant door middel van het bezoeken van die aangegeven verblijfplaatsen. De aanleiding voor dit onderzoek was de omstandigheid dat appellant stelde te verblijven op verschillende adressen, waaronder adres 1 waarover hij verklaard had daar uitgezet te zijn, en dat op één van de adressen een persoon verbleef die klant was van de DWI.
1.3. Op woensdag 30 december 2009 om 7.17 uur hebben handhavingsspecialisten adres 2 bezocht en Imam, een klant van DWI, aangetroffen. Imam verklaarde dat hij alleen woont op dit adres, en dat niemand anders slaapt op dit adres. Alleen hij en zijn broer hebben een sleutel. Appellant is een vriend van hem, maar hij slaapt niet op dit adres en heeft ook geen persoonlijke spullen zoals kleding, post en dergelijke op dit adres. Voorts heeft Imam verklaard dat hij appellant geen toestemming heeft gegeven om op dit adres te slapen of aan DWI door te geven dat appellant hier slaapt. Appellant heeft dit Imam ook niet gevraagd. Deze verklaring is door de handhavingsspecialisten in concept opgenomen en na voorlezing door Imam ondertekend.
1.4. Op 30 december 2009 omstreeks 7.47 uur hebben handhavingsspecialisten van DWI een bezoek gebracht aan adres 3. Appellant opende de deur. De handhavingsspecialisten hebben zich gelegitimeerd en de reden van het bezoek vermeld, namelijk controle op de door appellant opgegeven woon- en leefsituatie. Appellant heeft de handhavingsspecialisten toestemming verleend om binnen te komen. Vervolgens is aan hem de folder “Huisbezoek” uitgereikt en is het formulier “Toestemming huisbezoek” met hem besproken. Dit formulier is ingevuld en door appellant ondertekend. Volgens dit formulier is onder meer aan appellant uitgelegd dat tijdens dit bezoek een verklaring van appellant zal worden opgenomen en dat hem gevraagd zal worden die te ondertekenen, dat hem toestemming gevraagd kan worden voor het tonen van kamers, inhoud van kasten, kleding en andere bescheiden en dat het niet verlenen van toestemming voor het afleggen van het huisbezoek kan leiden tot afwijzing van de aanvraag om bijstand.
1.5. Tijdens het bezoek aan adres 3 heeft appellant een verklaring afgelegd. Over adres 1 heeft hij verklaard dat hij er een eigen slaapkamer heeft en dat hij daar maar één à twee dagen in de week mag slapen, maar niet meer mag wonen. Appellant kan daar nu niet terecht omdat zijn vriend twee weken op vakantie is. Op dat adres heeft hij in een box persoonlijke spullen staan. Van gistermiddag tot nu heeft appellant op adres 1 geslapen. Over adres 2 heeft appellant verklaard dat hij daar 2 dagen per week slaapt. Hij heeft daar geen persoonlijke spullen staan. Hij weet niet meer wanneer hij daar voor het laatst geslapen heeft. Hij heeft op adres 2 geslapen na zijn werk op vrijdag en zondag. Zijn vriend Imam zegt dat appellant niet bij hem slaapt omdat Imam ook een uitkering heeft van DWI. Op adres 3 slaapt appellant één à twee dagen in de week en verder één tot drie dagen in de week bij een vriend in Rotterdam. Het adres daarvan kan appellant niet geven. Appellant heeft van geen van deze woningen sleutels. Aanvankelijk heeft appellant verklaard dat hij op verschillende adressen tassen met kleding heeft en dat daar ook ergens zijn Egyptische paspoort is. Tegen het eind van het gesprek hebben de handhavingsspecialisten appellant ermee geconfronteerd dat zijn opgave van verblijfplaatsen niet sluitend is. Daarop heeft appellant geantwoord dat hij soms vier dagen niet slaapt en veel dingen vergeet omdat hij “bij GGZ” loopt en hiervoor medicijnen gebruikt. De handhavingsspecialisten hebben appellant ermee geconfronteerd dat hij in afwijking van zijn verklaring maar één adres heeft opgegeven waar hij kleding heeft en hebben hem gevraagd waar zijn kleding en medicijnen zijn. Daarop heeft appellant de handhavingsspecialisten verzocht de woning te verlaten. Gevraagd waarom hij zo reageert heeft appellant verklaard dat hij wilde dat de handhavingsspecialisten vertrekken en dat hij niets van DWI wilde hebben. Gewaarschuwd dat dit gevolgen kon hebben voor zijn uitkering heeft appellant verklaard dat hij wilde dat zij zouden “oprotten” en dat hij niets nodig had van hen. Appellant heeft de in concept opgenomen verklaring niet ondertekend.
1.7. Bij besluit van 5 januari 2010 heeft het College de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat appellant geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek naar zijn woon- en leefsituatie zoals bedoeld in artikel 17 van Pro de WWB.
1.8. Bij besluit van 19 maart 2010 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 5 januari 2010 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellant tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd en dat het daarom nodig was om door te vragen om de feitelijke woon- en leefsituatie vast te stellen. Daaraan heeft appellant niet meegewerkt tijdens het bezoek aan adres 3 op 30 december 2009. Aldus heeft appellant zijn inlichtingenverplichting geschonden en is het recht op bijstand niet vast te stellen. De medische situatie van appellant en zijn medicijngebruik als verklaring voor de reacties van appellant tijdens dat bezoek en het afbreken van het gesprek vormen geen reden voor het College om een ander standpunt in te nemen.
1.9. Met ingang van 19 april 2010 heeft het College aan appellant als niet-adresloze bijstand verleend.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: rechtbank) - voor zover hier van belang - het beroep tegen het besluit van 19 maart 2010 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 19 maart 2010 ongegrond is verklaard. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het huisbezoek op adres 3 onrechtmatig was en dat de daaruit verkregen bevindingen geen rol mogen spelen bij de besluitvorming, dat appellant als dakloze behandeld had moeten worden en dat het recht op bijstand wel is vast te stellen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
4.2. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet is dat een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, betrokkene recht op bijstand heeft.
4.3. Het gaat hier om een besluit op aanvraag om bijstand. Het was daarom aan appellant om aannemelijk te maken dat hij een adresloze was als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB. Het College was niet gehouden appellant enkel op grond van diens stelling als zodanig te behandelen en de paragrafen 4.8.1 en 4.8.2 van de werkvoorschriften van DWI betreffende de bijzondere doelgroepen zonder meer op hem toe te passen. Daarvoor was te minder reden nu appellant stelde ook te verblijven op het adres waar hij eerder gewoond had en ingeschreven had gestaan. Het College was daarom niet slechts bevoegd, maar zelfs gehouden nader onderzoek in te stellen naar aanleiding van de aanvraag.
4.4. In paragraaf 4.8.3 van de genoemde werkvoorschriften worden zogenoemde klanten die op meerdere adressen verblijven en zich daar om bepaalde redenen niet kunnen laten inschrijven thuislozen genoemd. Daarbij is vermeld dat het risico op fraude binnen deze groep aanzienlijk groter is dan bij echte daklozen. Daarom vindt bij deze klanten altijd een huisbezoek plaats op de adressen waar zij opgeven te verblijven. Gelet op de door het College in dit geval benutte formulieren en gevolgde procedures en de daarop namens het College gegeven toelichting ter zitting, voert het College het beleid om bij bezoeken aan verblijfplaatsen van thuislozen in woningen de regels omtrent huisbezoeken in acht te nemen en de waarborgen waarmee dit middel is omgeven te respecteren, alsof de thuisloze op het verblijfadres woont. Dit is in het beleid van het College te onderscheiden van een locatiebezoek, dat een bezoek aan een verblijfplaats van een adresloze betreft die geen woning is.
4.5. Naar het oordeel van de Raad was er na de verklaring van Imam omtrent het niet-verblijven van appellant op adres 2 een redelijke grond om te twijfelen aan de juistheid van de door appellant afgelegde verklaringen omtrent zijn verblijfplaatsen. Een minder belastende wijze van onderzoek dan een bezoek aan één van de andere door appellant opgegeven adressen was niet voorhanden om de feitelijke verblijfplaats en leefsituatie van appellant als gestelde dak-, adres- of thuisloze vast te stellen. Het betoog van appellant dat het College had moeten volstaan met invulling door appellant van een zogenoemd 10 dagenformulier dat bij de intake had moeten worden verstrekt, faalt reeds omdat appellant bij de intake informatie had verstrekt over zijn verblijfplaatsen en juist die door hem verstrekte informatie vragen opriep. Anders dan appellant stelt was er dus wel een aanleiding voor het bezoek aan adres 3.
4.6. Al aangenomen dat appellant ten aanzien van adres 3 een huisrecht had zoals neergelegd in artikel 12 van Pro de Grondwet, mocht het College, gelet op de genoemde redelijke grond, aan appellant voorhouden dat weigering mee te werken aan het huisbezoek gevolgen kon hebben voor zijn recht op bijstand, zoals ook gebeurd is. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van 24 november 2009, LJN BK4063, BK4057 en BK4064. Aldus is de toestemming van appellant voor het huisbezoek met ‘informed consent’ tot stand gekomen. Anders dan appellant betoogt, kan het huisbezoek dus niet wegens het ontbreken van een redelijke grond of toestemming onrechtmatig worden geoordeeld. Het College mocht daarom, ook overeenkomstig zijn beleid ten aanzien van huisbezoeken bij thuislozen, de bevindingen van het huisbezoek aan zijn besluitvorming op de aanvraag ten grondslag leggen.
4.7. Gelet op de - deels tegenstrijdige - verklaringen van appellant tijdens het huisbezoek in het licht van zijn eerdere verklaringen en zijn weigering verdere vragen te beantwoorden, heeft het College zich naar het oordeel van de Raad terecht op het standpunt gesteld dat door schending van zijn inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellant niet is vast te stellen omdat onduidelijkheid is blijven bestaan omtrent zijn woon- en leefsituatie. In dit verband is van belang dat appellant als gestelde thuisloze niet duidelijk heeft kunnen maken waar hij zijn essentiële persoonlijke bezittingen, zoals zijn paspoort, medicijnen en kleding bewaarde, en of hij wel meerdere verblijfplaatsen had en - gelet op zijn gestelde onbekende verblijfplaats in Rotterdam - of hij wel verbleef in de gemeente Amsterdam of in de gemeenten waartoe Amsterdam als centrumgemeente voor adreslozen is aangewezen, en daarmee of hij - gelet op artikel 40 van Pro de WWB - wel recht had op bijstand van het College. Appellants verklaring, dat hij op adres 1 waar hij gewoond heeft en ingeschreven heeft gestaan, nog steeds een kamer heeft en persoonlijke spullen in een box heeft liggen en daar nog regelmatig slaapt, roept ook twijfel op omtrent de status van appellant als thuisloze.
4.8. Appellant heeft een beroep gedaan op meergenoemde werkvoorschriften van DWI met betrekking tot klanten met psychische problemen. Op grond hiervan zou aan appellant, omdat hij dakloos is en als zwak of ziek moet worden beschouwd, ook zonder afdoende verificatie bijstand moeten worden verleend. Appellant stelt immers psychische problemen te hebben. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een door een psychiater uitgeschreven recept overgelegd. Hierover overweegt de Raad aldus.
4.9. In paragraaf 4.11 van deze werkvoorschriften over klanten met psychische problemen is een (beleids-)regel, zoals door appellant gesteld, niet opgenomen. In paragraaf 4.8.2 van deze werkvoorschriften is onder het kopje “Locatie- of huisbezoek” het volgende vermeld: “Als tijdens een onderzoek de woon- of verblijfssituatie onduidelijk is, kun je toch van een noodzakelijk locatie- of huisbezoek afzien. Bijvoorbeeld bij een serieuze dreiging, als een zieke of zwakke klant bij een huisbezoek met uitzetting wordt bedreigd door de hoofdbewoner. Het individuele belang van de klant gaat dan voor.”
Zelfs indien het College zich aan dit voorschrift diende te houden voordat het had vastgesteld dat appellant behoorde tot de bijzondere doelgroep waarop deze voorschriften betrekking hebben, dan nog treft het betoog van appellant geen doel. Van een dreiging als hier bedoeld heeft appellant geen gewag gemaakt. Ook overigens is niet gebleken dat appellant door zijn medische problematiek niet in staat was te voldoen aan zijn inlichtingen- en medewerkingsverplichting.
4.9. Gelet op het voorgaande heeft het College de aanvraag van appellant van 14 december 2009 terecht afgewezen. Het hoger beroept slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak komt daarom - voor zover aangevochten - voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2010.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) N.M. van Gorkum.
IJ