ECLI:NL:CRVB:2010:BN8706

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4290 WWB-VV + 10-3634 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:86 AwbArt. 4:5 AwbArt. 11 lid 1 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende bewijs van bijstandsbehoefte

Verzoekster diende een aanvraag om bijstand in, waarbij zij ontkende in het voorafgaande jaar zelfstandig werk te hebben verricht. Het Dagelijks Bestuur ontdekte dat zij in die periode als eigenaar van drie eenmanszaken was ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Verzoekster verklaarde dat deze inschrijvingen uitsluitend bedoeld waren om leningen via internet te verkrijgen, maar kon dit niet aannemelijk maken met controleerbare gegevens.

Het Dagelijks Bestuur liet de aanvraag buiten behandeling vanwege het niet overleggen van gevraagde bewijsstukken, waarna bezwaar en beroep volgden. De rechtbank oordeelde dat de aanvraag inhoudelijk beoordeeld moest worden. Het Dagelijks Bestuur wees de aanvraag uiteindelijk af wegens onvoldoende duidelijkheid over de bedrijfsactiviteiten en de bijstandsbehoefte.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze afwijzing. Verzoekster had de bewijslast om aan te tonen dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, maar slaagde hier niet in. De Raad vond dat de inschrijvingen in het handelsregister niet alleen bedoeld waren voor het verkrijgen van leningen en dat de overgelegde gegevens van de Belastingdienst niet voldoende waren om anders te oordelen.

Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens onvoldoende bewijs van bijstandsbehoefte.

Uitspraak

10/4290 WWB-VV
10/3634 WWB
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:
[verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),
in verband met het hoger beroep van:
verzoekster
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 17 mei 2010, 10/1191 en 10/821 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoekster
en
het Dagelijks Bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug, gevestigd te Zeist (hierna: Dagelijks Bestuur).
Datum uitspraak: 14 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens verzoekster heeft mr. G. Boot, advocaat te De Bilt, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Namens verzoekster heeft mr. G. Boot tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2010. Namens verzoekster is verschenen mr. M. Vleesch du Bois, kantoorgenoot van mr. Boot. Het Dagelijks Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Roemers.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
1.2. Ingevolge artikel 8:86 van Pro de Awb en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
1.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
2.1. Op 20 juli 2009 heeft verzoekster zich bij het UWV WERKbedrijf gemeld voor het indienen van een aanvraag om bijstand. In het kader van haar aanvraag heeft verzoekster op het door haar op 30 juli 2009 ondertekende aanvraagformulier de vraag of zij in de periode van een jaar voorafgaande aan haar melding één of meer banen een zelfstandig bedrijf of freelance werk heeft gehad ontkennend beantwoord.
2.2. Nadat het Dagelijks Bestuur gebleken was dat verzoekster in de periode van 12 maanden voorafgaand aan haar bijstandsaanvraag als eigenaar van een drietal eenmanszaken in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) ingeschreven heeft gestaan, heeft verzoekster tijdens het intake gesprek op 11 augustus 2009 hierover desgevraagd verklaard dat zij in het jaar voorafgaand aan haar bijstandsaanvraag geen bedrijfsactiviteiten heeft verricht waaruit zij inkomen heeft gegenereerd. De inschrijvingen in het handelsregister hadden volgens verzoekster slechts ten doel om leningen via internet te verkrijgen. Vervolgens heeft het Dagelijks Bestuur verzoekster bij brief van 11 augustus 2009 - voor zover thans van belang - verzocht hieromtrent bewijsstukken te overleggen.
2.3. Bij besluit van 21 september 2009 heeft het Dagelijks Bestuur de aanvraag op grond van artikel 4:5 van Pro de Awb buiten behandeling gelaten. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat verzoekster niet binnen de haar gestelde hersteltermijn(en) de bij brief van 11 augustus 2009 gevraagde gegevens heeft overgelegd. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft het Dagelijks Bestuur bij besluit van 2 november 2009 ongegrond verklaard.
2.4. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft bij uitspraak van 11 februari 2010, 10/90 en 09/3617, - voor zover thans van belang - het beroep van verzoekster tegen het besluit van 2 november 2009 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het Dagelijks Bestuur opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De voorzieningenrechter heeft hiertoe overwogen dat niet aan alle voorwaarden voor de toepassing van artikel 4:5 van Pro de Awb was voldaan, zodat het Dagelijks bestuur gehouden was de aanvraag inhoudelijk te beoordelen.
3. Bij besluit van 24 februari 2010 heeft het Dagelijks Bestuur het tegen het besluit van 21 september 2009 gemaakte bezwaar wat betreft het niet in behandeling nemen van de aanvraag gegrond verklaard en de aanvraag om bijstand afgewezen. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat verzoekster onvoldoende duidelijkheid heeft verstrekt omtrent de activiteiten van de bedrijven die direct voorafgaande aan de bijstandsaanvraag op haar naam hebben gestaan en dat hierdoor niet is vast te stellen of verzoekster verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB).
4. Bij de aangevallen uitspraak heeft voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 februari 2010 ongegrond verklaard en het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb afgewezen.
5. Verzoekster heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
6. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
6.1. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoekster in de periode van 18 januari 2008 tot en met 24 juni 2009 op het terrein van handel in cosmetica respectievelijk in zuivelproducten in het handelsregister van de KvK stond geregistreerd met een drietal eenmanszaken en dat zij hiervan - ondanks de duidelijke vraagstelling hieromtrent op haar aanvraagformulier - geen melding heeft gemaakt. Evenmin is betwist dat verzoekster daardoor de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting onvoldoende is nagekomen.
6.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad vormt het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de WWB een rechtsgrond voor weigering van de bijstand indien door schending van die verplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Nu het hier gaat om een aanvraag om bijstand, rust de bewijslast op verzoekster. Zij moet dus aannemelijk maken dat zij in de beoordelingsperiode in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerde.
6.3. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verzoekster hierin is geslaagd.
6.4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster heeft nagelaten met controleerbare en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat zij in het jaar voorafgaande aan haar bijstandsaanvraag in de drie registreerde eenmanszaken geen bedrijfsmatige activiteiten heeft verricht en hieruit geen inkomsten heeft genoten. Verzoekster heeft in het bijzonder niet aannemelijk gemaakt dat de inschrijvingen bij de KvK slechts tot doel hadden om leningen via internet te verkrijgen. Verzoekster heeft niet kunnen aangeven waar zij deze leningen voor nodig had en geen aannemelijke verklaring kunnen geven - ook niet ter zitting - voor het feit dat zij is blijven volharden in het inschrijven van nieuwe bedrijven terwijl eerdere inschrijvingen niet tot het afsluiten van de door haar beoogde leningen hebben geleid. De voorzieningenrechter ziet in de door verzoekster overgelegde gegevens van de Belastingdienst over de vaststelling van het inkomen van verzoekster over de jaren 2008 en 2009 geen reden om tot een ander oordeel te komen, nu deze vaststelling berust op een schatting van het fiscale inkomen en niet op controleerbare en verifieerbare gegevens van verzoekster over het over die jaren door haar genoten inkomen.
6.5. Hetgeen onder 6.4 is overwogen leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat niet is vast te stellen of, en zo ja, in hoeverre, verzoekster ten tijde van haar aanvraag recht had op bijstand, zodat het Dagelijks Bestuur de afwijzing van de aanvraag van 30 juli 2009 terecht heeft gehandhaafd.
6.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
6.7. Onder deze omstandigheden is geen grond aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening.
7. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
in de hoofdzaak:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
op het verzoek om voorlopige voorziening:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2010.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) J. Waasdorp.
SG