ECLI:NL:CRVB:2010:BN7972

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-2632 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R. Kooper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 59, tweede lid, WWB
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting

Appellant verzocht het bestuur om herziening van een besluit waarbij bijstand over de periode 2000-2001 werd ingetrokken en teruggevorderd wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding. Dit verzoek werd afgewezen en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep betoogde appellant dat een strafrechtelijke vrijspraak, waarin werd geoordeeld dat hij niet uit misdrijf verkregen voordeel had getrokken, aanleiding moest zijn om het bestuursbesluit te herzien. De Raad overwoog dat de bestuursrechter niet gebonden is aan strafrechtelijke uitspraken, omdat het om verschillende rechtsvragen en procedures gaat.

Het aangehaalde arrest van het Gerechtshof was summier en betrof een andere delictsomschrijving dan de gronden voor de terugvordering. Dit vormde geen nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 Awb Pro. Ook aanvullende verklaringen die appellant aanvoerde waren niet als bewijs ingebracht.

De Raad concludeerde dat het bestuur terecht het herzieningsverzoek heeft afgewezen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het herzieningsverzoek en handhaaft de terugvordering van bijstand.

Uitspraak

09/2632 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 9 april 2009, 08/1170 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het dagelijks bestuur van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân (hierna: bestuur).
Datum uitspraak: 7 september 2010.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.J. Ouderdorp, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2010. Appellant is daar, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R.S. de Vries, werkzaam bij de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 13 september 2006 heeft het bestuur de aan mevrouw [naam mevrouw] verleende bijstand over de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2001 ingetrokken en de kosten van de bijstand van haar en mede van appellant teruggevorderd. Dit besluit berustte op de overweging dat [naam mevrouw] in genoemde periode met appellant een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en dat zij hiervan in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen mededeling heeft gedaan. Daarbij is appellant aangemerkt als de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden, als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de Wet werk en bijstand (WWB).
1.2. Zowel appellant als [naam mevrouw] heeft tegen het besluit van 13 september 2006 geen rechtsmiddel ingesteld.
1.3. Bij brief van 5 oktober 2007 is namens appellant verzocht om herziening van het besluit van 13 september 2006.
1.4. Bij besluit van 23 oktober 2007 heeft het bestuur dat verzoek afgewezen.
1.5. Bij besluit van 14 mei 2008 heeft het bestuur het bezwaar tegen het besluit van 23 oktober 2007 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 mei 2008 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Het thans aan de orde zijnde verzoek van appellant strekt ertoe dat het bestuur terugkomt van zijn eerdere besluit van 13 september 2006. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.
4.2. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen.
4.3. Appellant heeft ter ondersteuning van zijn verzoek aan het bestuur een beroep gedaan op het arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 18 maart 2008, nr. 24-002144-07. Uit dit arrest blijkt dat niet wettig en overtuigend bewezen wordt geacht dat appellant (opzettelijk) uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel heeft getrokken en dat appellant om die reden is vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.
4.4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat dit arrest van het Gerechtshof voor het bestuur geen aanleiding behoefde te vormen om van het besluit van 13 september 2006 terug te komen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is de bestuursrechter in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen door de strafrechter is geoordeeld, te minder nu in een dergelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. In het door appellant bedoelde arrest van het Gerechtshof ziet de Raad geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen. Dit arrest is uiterst summier en heeft betrekking op een specifieke delictsomschrijving die niet op één lijn kan worden gesteld met de gronden waarop de in het besluit van 13 september 2006 vervatte terugvordering berust. Hoewel dit arrest op zichzelf wel als een nieuw gegeven kan worden aangemerkt, is ook naar het oordeel van de Raad geen sprake van een nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb.
4.5. De in het hoger beroepschrift genoemde nadere verklaring van [naam mevrouw] kan evenmin als zodanig gelden, reeds omdat die verklaring niet door appellant is overgelegd en derhalve niet tot de gedingstukken behoort. Hetzelfde geldt voor de getuigenverklaring die zou zijn afgelegd door de case manager Van der Veen.
4.6. Het voorgaande brengt de Raad tot het oordeel dat het bestuur bevoegd was om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek van 5 oktober 2007 af te wijzen. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het bestuur niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
4.7. Het hoger beroep slaagt dan ook niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 september 2010.
(get.) R. Kooper.
(get.) J. de Jong.
HD