ECLI:NL:CRVB:2010:BN6700
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende functionele beperkingen
Appellant, werkzaam als magazijnmedewerker, viel op 5 december 2006 uit voor zijn werk en vorderde een WIA-uitkering. Het UWV besloot op bezwaar dat appellant geen recht had op een WIA-uitkering per 8 december 2008, omdat zijn functionele mogelijkheden juist waren vastgesteld en de belasting van de geduide functies niet werd overschreden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn klachten, waaronder gehoorproblemen, en dat de geduide functies ongeschikt waren vanwege zijn medische beperkingen en werkomstandigheden. Het UWV stelde dat de medische informatie van huisarts en specialisten was meegenomen en dat de bezwaarverzekeringsarts rekening had gehouden met zijn beperkingen bij het vaststellen van de functionele mogelijkheden en het selecteren van geschikte functies.
De Raad overwoog dat de medische informatie van de KNO-arts, internist en cardioloog die appellant in de beroepsfase aanvoerde, niet tot het oordeel leidde dat er extra functionele beperkingen waren. Ook de door appellant genoemde urenbeperking wegens medicatiegebruik, slaapapneu en gewrichtsklachten was niet onderbouwd met objectieve medische gegevens. De Raad onderschreef de opvatting van het UWV dat de functies technical sales engineer, printmonteur convention en elektronica monteur medisch geschikt waren. De bezwaarverzekeringsarts had toegelicht dat de functies geen belemmering vormden voor appellant, ook rekening houdend met zijn gehoor en tinnitusklachten.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens onvoldoende functionele beperkingen en geschiktheid van de geduide functies.