ECLI:NL:CRVB:2010:BN6114

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 augustus 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-608 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 WWBArt. 16 WWBArt. 6:20 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor doorbetaling vaste woonlasten tijdens detentie

Appellant heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor de doorbetaling van vaste woonlasten gedurende zijn detentie vanaf 2 april 2008. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal wees deze aanvraag af op grond van artikel 13, eerste lid, van de WWB, dat personen die rechtens hun vrijheid zijn ontnomen geen recht op bijstand geeft, tenzij sprake is van een acute noodsituatie zoals bedoeld in artikel 16 van Pro de WWB.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het College verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk en verklaarde het beroep tegen het besluit ongegrond. In hoger beroep heeft appellant zich tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad overweegt dat het College slechts bijstand kan verlenen op grond van artikel 16 WWB Pro indien zeer dringende redenen en een acute noodsituatie aanwezig zijn. De Raad constateert dat appellant niet heeft aangetoond dat hij ten tijde van de aanvraag zijn woning heeft moeten ontruimen wegens betalingsachterstand, noch dat er sprake is van een acute noodsituatie. Wel is bijzondere bijstand toegekend voor huurschulden, maar dat betreft een andere aanvraag.

Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand voor doorbetaling van vaste woonlasten tijdens detentie bevestigd.

Uitspraak

10/608 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 december 2009, 09/892 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal (hierna: College)
Datum uitspraak: 24 augustus 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.J.M. Boot, advocaat te Steenbergen, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 13 juli 2010. Appellant is niet verschenen en het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Op 9 juni 2008 heeft appellant bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd voor doorbetaling van de vaste (woon)lasten gedurende zijn detentie vanaf 2 april 2008.
1.2. Bij besluit van 3 juli 2008 heeft het College deze aanvraag afgewezen op de grond dat degene die rechtens zijn vrijheid is ontnomen geen recht op bijstand heeft op grond van artikel 13, eerste lid, van de WWB en er geen sprake is van een acute noodsituatie zoals bedoeld in artikel 16 van Pro de WWB.
1.3. Bij besluit van 23 februari 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 3 juli 2008 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van 20 februari 2009 tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten, niet-ontvankelijk verklaard en dit beroep voor zover het met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 23 februari 2009 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB heeft geen recht op bijstand degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
4.2. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB kan het college aan een persoon die geen recht heeft op bijstand, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van paragraaf 2.2, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat het college eerst dan bevoegd is met toepassing van artikel 16, eerste lid, van de WWB bijstand te verlenen indien in concreto vaststaat dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen.
4.3. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat zich een dergelijke situatie in het geval van appellant niet heeft voorgedaan. Daartoe acht ook de Raad van betekenis dat niet is gebleken dat appellant ten tijde hier in geding wegens betalingsachterstand zijn woning heeft moeten ontruimen.
4.4. Met het voorgaande acht de Raad anders dan appellant heeft aangevoerd niet in tegenspraak dat appellant naar aanleiding van zijn aanvraag van 24 februari 2009 bij besluit van 3 maart 2009 bijzondere bijstand (in de vorm van een geldlening) is toegekend voor de kosten van een huurschuld. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat deze aanvraag ziet op bijzondere bijstand in de kosten van een schuld, terwijl de aanvraag van 9 juni 2008 gericht is op bijzondere bijstand in de gedurende de detentie doorlopende vaste (woon)lasten.
4.5. Het hoger beroep van appellant slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak - voor zover deze is aangevochten - dient te worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2010.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) C. de Blaeij.
AV