ECLI:NL:CRVB:2010:BN5953
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van ongewijzigde voortzetting WAO-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als paprikaplukster, viel in 2001 uit wegens buikklachten en ontving een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%. In 2008 verzocht zij om herziening van haar uitkering wegens vermeende toename van klachten aan het bewegingsapparaat, waaronder nek-, linkerknie- en buikklachten.
Het UWV voerde medisch onderzoek uit en besloot de uitkering niet te verhogen, omdat de beperkingen volgens de verzekeringsarts onveranderd waren ten opzichte van de eerdere beoordeling in 2006. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep bij de rechtbank, die het standpunt van het UWV onderschreef vanwege het ontbreken van medische onderbouwing voor toegenomen beperkingen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt en verwees zij naar frequente huisartsbezoeken en slijtagereuma als verklaring voor verergering van haar klachten. De Centrale Raad van Beroep achtte de conclusie van de verzekeringsartsen voldoende onderbouwd en vond geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. Er werd geen medische bewijs geleverd die toegenomen arbeidsongeschiktheid aannemelijk maakte in de zin van artikel 39a van de WAO.
Het hoger beroep werd verworpen en de Raad bevestigde de eerdere uitspraak, waarbij ook werd overwogen dat geen toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht aan de orde was. De WAO-uitkering blijft daarmee ongewijzigd voortgezet.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAO-uitkering ongewijzigd blijft wegens onvoldoende medische onderbouwing van toegenomen arbeidsongeschiktheid.