ECLI:NL:CRVB:2010:BN5819

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6038 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing recht op ziekengeld ondanks slaapstoornis en verslechterde gezondheid

Appellant, werkzaam in drieploegendienst, meldde zich ziek terwijl hij een werkloosheidsuitkering ontving. Het UWV besloot per 7 januari 2008 het recht op ziekengeld te beëindigen omdat appellant niet langer wegens ziekte ongeschikt was voor arbeid. Dit besluit werd in bezwaar en beroep door de rechtbank Haarlem vernietigd, waarna het UWV een nieuw besluit nam dat opnieuw het recht op ziekengeld afwees.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het UWV het besluit op juiste wijze heeft heroverwogen. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat de psychische klachten en slaapstoornis van appellant niet ernstig genoeg zijn om zijn arbeidsongeschiktheid te rechtvaardigen. Ondanks een verslechtering van de gezondheidstoestand medio 2010 is er geen aanleiding voor nader psychiatrisch onderzoek.

De Raad benadrukt dat artikel 7:2 Awb Pro geen verplichting tot een nieuwe hoorzitting inhoudt bij een hernieuwd besluit op bezwaar, zeker niet bij ontbreken van nieuwe feiten. De Raad acht ook geen grond voor een proceskostenveroordeling en bevestigt de afwijzing van het recht op ziekengeld.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld omdat zijn klachten niet leiden tot arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

09/6038 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 25 september 2009, 08/7814 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.A. Bouwman, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2010.
Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Bouwman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Nederveen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, die in drieploegendienst werkzaam is geweest bij de [werkgever], heeft zich laatstelijk op 11 oktober 2007 vanuit een situatie waarin hij een werkloosheidsuitkering ontving ziek gemeld.
1.2. Bij besluit van 3 januari 2008 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 7 januari 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij op en na deze datum niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid.
1.3. Bij besluit van 28 februari 2008 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 januari 2008 ongegrond verklaard.
2. Bij uitspraak van 7 oktober 2008 heeft de rechtbank Haarlem het beroep tegen het besluit van 28 februari 2008 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit diende te nemen met inachtneming van die uitspraak.
3. Bij besluit van 12 december 2008 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 3 januari 2008 opnieuw ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
5.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad nog het volgende.
5.2. Zoals de Raad reeds vaker heeft beslist (zie onder meer de uitspraak van 25 februari 2003, LJN AF6327) houdt artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen algemene verplichting in tot het opnieuw horen bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar ter voldoening aan een uitspraak van de rechtbank. Nu niet gebleken is van nieuwe feiten en omstandigheden bestond hier geen noodzaak voor een nadere hoorzitting.
5.3. De Raad is verder evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv op juiste wijze uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 7 oktober 2008. De bezwaarverzekeringsarts heeft de psychische klachten van appellant nader in beeld gebracht en er is tevens nog een arbeidskundig onderzoek verricht naar de aard en de zwaarte van appellants werk. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts aan de hand hiervan op goede grond geconcludeerd dat dit werk voor appellant niet te belastend was.
5.4. In reactie op de brief van 21 december 2008, waarin de behandelend psychiater de veronderstelling heeft geuit dat de op dat moment geconstateerde psychische aandoening al minimaal drie jaar bestond, heeft de bezwaarverzekeringsarts in een rapportage van 23 januari 2009 opgemerkt dat appellants klachten sinds jaren in essentie niet zijn veranderd, dat appellant met deze klachten in staat is geweest zijn werk te verrichten en dat hier dus niet kan worden gesproken van een ernstig arbeidsbelemmerend psychisch ziektebeeld. Gelet op de rapportage van de verzekeringsarts van 3 januari 2008 ziet de Raad geen reden om aan deze conclusie te twijfelen. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 24 juli 2009 verder op goede gronden aangevoerd dat appellants slaapstoornis niet van dien aard is dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat appellant op medische gronden, naar objectieve maatstaven gemeten zijn werk niet kon verrichten. Dat appellants gezondheidstoestand medio 2010 is verslechterd kan hieraan niet afdoen. De Raad ziet dan ook geen reden voor een nader psychiatrisch onderzoek.
5.5. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.4 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) T.J. van der Torn.
EV