ECLI:NL:CRVB:2010:BN5816
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beëindiging recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor laatstelijk verrichte arbeid
Appellant was werkzaam als schoonmaker toen hij wegens rugklachten uitviel. Het UWV stelde na medisch onderzoek vast dat appellant vanaf 3 oktober 2007 geschikt was voor zijn laatstelijk verrichte arbeid en beëindigde het recht op ziekengeld. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat de rechtbank onvoldoende rekening hield met een door hem ingeschakelde verzekeringsarts en dat de laatst verrichte arbeid onvoldoende was omschreven.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende inzicht had in de aard en zwaarte van het werk en dat er geen reden was om aan zijn bevindingen te twijfelen. De Raad vond ook geen aanleiding voor nader medisch onderzoek.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht het recht op ziekengeld had beëindigd en wees het hoger beroep af. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het recht op ziekengeld wordt beëindigd vanaf 3 oktober 2007.