ECLI:NL:CRVB:2010:BN5813

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-7175 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Ziektewet (ZW)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens onvoldoende arbeidsbeperkingen door artrose

Appellant werd arbeidsongeschikt verklaard wegens gewrichtsklachten en ontving een WAO-uitkering. Later meldde hij zich ziek wegens toegenomen klachten en vroeg om voortzetting van de Ziektewet-uitkering. Het UWV besloot echter dat appellant niet langer ongeschikt was voor werk en stopte de uitkering.

Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit besluit. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de bezwaarverzekeringsarts overtuigend heeft aangetoond dat appellant ondanks artrose en andere klachten in staat is om enkele voorgestelde functies, zoals meteropnemer, te vervullen, waarbij rekening is gehouden met beperkingen in hand- en vingergebruik.

Ook andere klachten zoals gehoorverlies en slaapproblemen werden onvoldoende zwaar bevonden om het werk te belemmeren. De Raad ziet geen reden om het eerdere oordeel te wijzigen en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld omdat hij geschikt is voor enkele passende functies.

Uitspraak

08/7175 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 10 november 2008, 07/1238 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2010.
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. F.A.A.C. Traa, advocaat te Utrecht.
Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is op 13 mei 2003 wegens gewrichtsklachten arbeidsongeschikt geworden voor zijn werk als machinemonteur. In aansluiting op de wachttijd van 52 weken is aan betrokkene een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
1.2. Appellant heeft zich op 4 mei 2007 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet wegens toegenomen gewrichtsklachten ziek gemeld.
2. Bij besluit van 13 juni 2007 is namens het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 18 juni 2007 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW), omdat hij op en na deze datum niet ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid, zijnde enkele van de eerder geduide functies.
3. Bij besluit van 19 september 2007 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 juni 2007 ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
5.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. In het rapport van 1 augustus/12 september 2007 heeft de bezwaarverzekeringsarts voldoende overtuigend uiteengezet dat de artrose niet tot zodanige beperkingen heeft geleid dat appellant niet in staat zou zijn enkele van de geduide functies, waaronder die van meteropnemer waarbij afwisseling van houding mogelijk is, te vervullen. Bij het selecteren van deze functies is destijds ook al rekening gehouden met een beperking van het hand- en vingergebruik.
5.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft naar aanleiding van de in hoger beroep nog ingebrachte medische gegevens verder terecht opgemerkt dat het gehoorverlies en het oorsuizen ten tijde in geding nog niet zodanig belemmerend was dat een indicatie bestond voor een gehoortoestel, terwijl verder onder meer bij de functie van meteropnemer van een gehoorbelasting geen sprake is. De Raad is gelet op het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts er voorts niet van overtuigd geraakt dat appellants slaapprobleem ten tijde in geding een beletsel was om vorenbedoelde functie naar behoren te vervullen. De Raad verwijst verder naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 16 juli 2010, waarin terecht wordt opgemerkt dat niet gebleken is dat appellant ten tijde in geding al klachten had van een hyperventilatiesyndroom. Ook de brief van 19 juli 2010 van de cesartherapeut ziet niet op de datum in geding.
6. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 en 5.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
7. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) T.J. van der Torn.
EV