ECLI:NL:CRVB:2010:BN5803
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beëindiging recht op ziekengeld na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om per 5 september 2007 het recht op ziekengeld te beëindigen, omdat hij niet langer wegens ziekte ongeschikt werd geacht voor arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de medische gegevens van de behandelaars van appellant waren betrokken.
In hoger beroep bracht appellant aanvullende medische stukken in, waaronder rapporten over klachten als oorsuizen, concentratieproblemen en een depressieve stoornis vastgesteld in 2009. De Raad oordeelde echter dat deze latere bevindingen onvoldoende reden geven voor een ander oordeel over de situatie in 2007. De brief van de behandelend zenuwarts gaf aan dat er onvoldoende objectieve gegevens waren om de depressieve stoornis ook voor 2007 vast te stellen.
De Raad hechtte daarom meer gewicht aan het verzekeringsartsrapport van 4 september 2007, waarin slechts spanningsklachten werden vermeld. Gezien deze feiten bevestigde de Centrale Raad van Beroep het bestreden besluit en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het recht op ziekengeld wordt bevestigd.