ECLI:NL:CRVB:2010:BN4456
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens ontbreken van arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich op 9 november 2007 ziek nadat zij drie weken 20 uur per week had gewerkt. Het UWV besloot op 25 februari 2008 dat zij geen recht meer had op ziekengeld omdat zij niet langer ongeschikt was voor haar laatst verrichte arbeid. Dit besluit werd op 10 april 2008 bevestigd na bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts zwaar liet wegen. Deze arts had vastgesteld dat hoewel appellante klachten had door een chronisch aspecifiek pijnsyndroom, deze klachten haar niet belemmerden in het uitvoeren van haar werkzaamheden.
Appellante voerde in hoger beroep geen nieuwe medische onderbouwing aan. De Raad volgde de rechtbank en concludeerde dat de medische onderzoeken op 25 februari en 2 april 2008 zorgvuldig waren uitgevoerd en dat het ziektebeeld geen beperkingen opleverde die het werk als schoonmaakster onmogelijk maakten.
De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Ch. van Voorst en griffier D.E.P.M. Bary op 18 augustus 2010.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op ziekengeld omdat zij niet arbeidsongeschikt is voor haar werk als schoonmaakster.