ECLI:NL:CRVB:2010:BN4456

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 augustus 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-397 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens ontbreken van arbeidsongeschiktheid

Appellante, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich op 9 november 2007 ziek nadat zij drie weken 20 uur per week had gewerkt. Het UWV besloot op 25 februari 2008 dat zij geen recht meer had op ziekengeld omdat zij niet langer ongeschikt was voor haar laatst verrichte arbeid. Dit besluit werd op 10 april 2008 bevestigd na bezwaar.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts zwaar liet wegen. Deze arts had vastgesteld dat hoewel appellante klachten had door een chronisch aspecifiek pijnsyndroom, deze klachten haar niet belemmerden in het uitvoeren van haar werkzaamheden.

Appellante voerde in hoger beroep geen nieuwe medische onderbouwing aan. De Raad volgde de rechtbank en concludeerde dat de medische onderzoeken op 25 februari en 2 april 2008 zorgvuldig waren uitgevoerd en dat het ziektebeeld geen beperkingen opleverde die het werk als schoonmaakster onmogelijk maakten.

De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Ch. van Voorst en griffier D.E.P.M. Bary op 18 augustus 2010.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op ziekengeld omdat zij niet arbeidsongeschikt is voor haar werk als schoonmaakster.

Uitspraak

09/397 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 22 december 2008, 08/1430 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 augustus 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2010.
Appellante is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreide weergave van de voor dit geding relevante feiten verwijst de Raad naar overweging 2 in de aangevallen uitspraak.
De Raad volstaat hier met het volgende.
Appellante heeft zich op 9 november 2007 ziek gemeld en had hieraan voorafgaand gedurende drie weken 20 uur per week gewerkt als schoonmaakster van kantoren.
2. Bij besluit van 25 februari 2008 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van deze datum geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij niet langer ongeschikt wordt geacht voor de laatstelijk verrichte arbeid.
3. Bij besluit van 10 april 2008 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 februari 2008 ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank heeft vastgesteld dat de bezwaarverzekeringsarts de geschiktheid van de door appellante laatstelijk verrichte arbeid als schoonmaakster heeft beoordeeld aan de hand van de functiebeschrijving in samenhang met de voor appellante vastgestelde medische beperkingen. De rechtbank heeft daarbij verder overwogen dat door appellante geen medische stukken zijn overgelegd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.
5. In hetgeen appellante in hoger beroep – zonder nadere medische onderbouwing – heeft aangevoerd ziet de Raad geen reden voor een ander oordeel dan dat van de rechtbank. De Raad stelt – in navolging van de rechtbank vast – dat zowel bij het medisch onderzoek op 25 februari 2008 als bij het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts op 2 april 2008 op zorgvuldige wijze is vastgesteld dat appellante wel klachten heeft als gevolg van een chronisch aspecifiek pijnsyndroom, maar dat dit ziektebeeld niet leidt tot beperkingen die haar het verrichten van het werk als schoonmaakster op de datum in geding verhinderden.
6. Uit hetgeen onder 5 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
7. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) D.E.P.M. Bary.
EV