ECLI:NL:CRVB:2010:BN4063
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting AOW-pensioen wegens niet-ingezetenschap in geschilperiode
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij tussen 18 maart 1967 en 5 februari 1974 onafgebroken in Nederland heeft gewoond, waardoor hij recht zou hebben op een volledig AOW-pensioen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) had echter een korting toegepast omdat zij oordeelde dat appellant in die periode geen ingezetene was in de zin van de AOW.
De Raad overwoog dat ingezetenschap volgens artikel 2 AOW Pro betekent dat iemand in Nederland woont, waarbij op grond van artikel 3 AOW Pro wordt gekeken naar juridische, economische en sociale bindingen met Nederland. Appellant kon niet aannemelijk maken dat hij in de betwiste periode in Nederland woonde, mede vanwege het ontbreken van gegevens uit het GBA en andere feitelijke, verifieerbare gegevens.
De Raad concludeerde dat het middelpunt van het maatschappelijk leven van appellant niet in Nederland lag in de betreffende periode en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker en uitgesproken op 29 juli 2010. Partijen kunnen binnen zes weken cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen ingezetene was tussen 1967 en 1974 en de korting op het AOW-pensioen terecht is toegepast.