ECLI:NL:CRVB:2010:BN4052
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Weigering WAO-uitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking
Appellant, die aanvankelijk een eenmanszaak dreef, verkocht deze aan zijn zonen die de ondernemingsvorm wijzigden in een vennootschap onder firma (VOF). Hoewel appellant zich als vennoot inschreef en werkzaamheden bleef verrichten, oordeelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) dat er geen sprake was van een verzekeringsplichtige arbeid omdat er geen gezagsverhouding bestond.
De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde vast dat appellant niet werkzaam was in een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en voerde tevens aan dat het Uwv de kosten van rechtsbijstand in bezwaar had moeten vergoeden.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het essentiële kenmerk van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, namelijk de gezagsverhouding, ontbrak. Daarnaast kon appellant niet aantonen dat er sprake was van een loonbetalingsverplichting. De Raad vond daarom dat het Uwv terecht geen verzekeringsplicht aannam. Ook werd geoordeeld dat de kosten van rechtsbijstand niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat het primaire besluit niet is herroepen.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees een veroordeling in de proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WAO-uitkering wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.