ECLI:NL:CRVB:2010:BN3031
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks geschil over medische beperkingen en Schattingsbesluit
Appellante, voormalig verpleeghulp, ontving sinds 2001 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV herzag deze uitkering in 2008 naar 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid, wat appellante aanvocht. De rechtbank Amsterdam oordeelde dat het UWV en de betrokken verzekeringsartsen geen onjuiste medische beperkingen hadden vastgesteld en dat de functies waarop de beoordeling was gebaseerd medisch geschikt waren voor appellante.
Appellante voerde aan dat het aangepaste Schattingsbesluit, dat uitgaat van een fictief maatmaninkomen, strijdig is met artikel 18 van Pro de WAO, dat het reële verlies aan verdiencapaciteit als maatstaf hanteert. De rechtbank verwierp deze stelling en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren zonder nieuwe medische of feitelijke gegevens aan te dragen die twijfel konden zaaien over het oordeel van de rechtbank. De Raad onderschreef het oordeel dat de medische beperkingen niet waren onderschat en dat het aangepaste Schattingsbesluit een wettelijke grondslag heeft in artikel 18 van Pro de WAO.
De Raad benadrukte dat het recht op uitkering niet alleen afhangt van de geschiktheid voor het eigen werk, maar van alle algemeen geaccepteerde arbeid die de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden kan verrichten. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid.