ECLI:NL:CRVB:2010:BN2413
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, sinds 1995 arbeidsongeschikt wegens psychische klachten, kreeg vanaf 1996 een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 2008 vond een herbeoordeling plaats waarbij een verzekeringsarts concludeerde dat haar psychische belastbaarheid was verminderd, maar dat een urenbeperking niet noodzakelijk was. De arbeidsdeskundige berekende een verlies aan verdienvermogen van slechts 3%, waarop het UWV besloot de WAO-uitkering per 11 september 2008 in te trekken.
In de bezwaarprocedure bevestigden een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige dat appellante benutbare mogelijkheden had en geschikt was voor enkele functies, met een verlies aan verdienvermogen van 5%. Het bezwaar werd ongegrond verklaard. In beroep voerde appellante aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar klachten en dat zij de functies niet kon vervullen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep de medische en arbeidskundige beoordeling van het UWV onderschreven. De Raad vond geen aanwijzingen dat de beperkingen van appellante waren onderschat en oordeelde dat het bestreden besluit op een voldoende grondslag berust. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.