ECLI:NL:CRVB:2010:BM9364

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-3650 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:75 AwbSchattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswettenWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herbeoordeling arbeidsongeschiktheid en intrekking WAO-uitkering

Appellant was een WAO-uitkering toegekend die laatstelijk was gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Na een herbeoordeling door verzekeringsarts Rambocus en een arbeidsdeskundige werd de uitkering ingetrokken omdat de arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op minder dan 15%. Appellant maakte bezwaar en er volgde een heronderzoek door bezwaarverzekeringsarts Van Kempen, die het eerdere oordeel onderschreef.

Het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna appellant beroep instelde bij de rechtbank. Tijdens dit beroep verklaarde het UWV het bezwaar alsnog gegrond en stelde de arbeidsongeschiktheid vast op 15 tot 25%. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerdere besluit niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat de onderzoeken onvoldoende zorgvuldig waren uitgevoerd en dat zijn psychische beperkingen waren onderschat. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen waren dat de belastbaarheid was overschat. Er werden geen nieuwe objectieve medische gegevens ingebracht die het oordeel konden doen wijzigen.

De Raad concludeerde dat de functies waarop de schatting was gebaseerd medisch geschikt waren voor appellant en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking van de WAO-uitkering blijft gehandhaafd.

Uitspraak

07/3650 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 mei 2007, 06/3352 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 juni 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van een bezwaarverzekeringsarts ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.A.M.B. Amting, advocaat te Utrecht. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.
II. OVERWEGINGEN
1. Aan appellant was een uitkering ingevolge de Wet op arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke uitkering laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
2.1. In het kader van een herbeoordeling ingevolge het per 1 oktober 2004 geldende Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten is appellant op 18 augustus 2005 onderzocht door verzekeringsarts dr. mr. drs. D.S. Rambocus. Hij heeft een dossieronderzoek verricht, appellant lichamelijk en psychiatrisch onderzocht en informatie van de behandelende sector opgevraagd. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in een verzekeringsgeneeskundig rapport. Rambocus is tot de conclusie gekomen dat sprake is van astmatische klachten en acht appellant psychisch kwetsbaar. Op basis van deze bevindingen is een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), gedateerd 16 januari 2006, opgesteld. De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens een aantal voor appellant geschikt te achten functies geselecteerd waarmee hij een zodanig inkomen kan verdienen dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid moet worden gesteld op minder dan 15%. In verband daarmee is de WAO-uitkering van appellant bij besluit van 9 februari 2006 per 8 april 2006 ingetrokken.
2.2. Naar aanleiding van het tegen het besluit van 9 februari 2006 ingediende bezwaar heeft een heronderzoek plaatsgevonden door bezwaarverzekeringsarts O.J. van Kempen. Van Kempen heeft een dossieronderzoek verricht, is aanwezig geweest bij de hoorzitting, heeft informatie van de behandelende sector verkregen en heeft zowel een lichamelijk als psychiatrisch onderzoek verricht, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport van 17 juli 2006. Van Kempen stelt dat de verzekeringsarts Rambocus voldoende rekening heeft gehouden met de long- en angstklachten van appellant. Er is volgens deze arts geen reden om een urenbeperking aan te nemen. Vervolgens is een heronderzoek verricht door de bezwaararbeidsdeskundige, waarna het Uwv bij besluit van 2 augustus 2006 het bezwaar tegen het besluit van 9 februari 2006 ongegrond heeft verklaard.
3.1. Tegen het besluit van 2 augustus 2006 heeft appellant bij de rechtbank beroep ingesteld. Hangende dit beroep heeft het Uwv bij besluit van 22 maart 2007, hierna: het bestreden besluit, het bezwaar van appellant alsnog gegrond verklaard en de mate van appellants arbeidsongeschiktheid per 8 april 2006 vastgesteld op 15 tot 25%.
3.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gericht tegen het besluit van 2 augustus 2006 wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard. Onder toepassing van artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang bezien met artikel 6:19 van Pro de Awb heeft de rechtbank het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.
4. In eerste aanleg en in hoger beroep heeft appellant in de kern gelijkluidende gronden aangevoerd. Samengevat heeft hij aangevoerd dat de onderzoeken door de artsen van het Uwv onvoldoende zorgvuldig zijn uitgevoerd, dat met name zijn psychische beperkingen zijn onderschat en dat er aanleiding is om een urenbeperking aan te nemen.
5.1. De Raad oordeelt als volgt.
5.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek niet onzorgvuldig is uitgevoerd en dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de belastbaarheid van appellant bij het nemen van het bestreden besluit is overschat. De Raad schaart zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak die de rechtbank ter motivering van dat oordeel heeft gegeven. Hetgeen appellant ter onderbouwing van zijn hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van zijn gronden in beroep, wezenlijk nieuwe gegevens of gezichtspunten op grond waarvan dient te worden afgeweken van het oordeel van de rechtbank zijn niet naar voren gebracht. Evenmin als in beroep heeft appellant in hoger beroep objectieve medische gegevens ingebracht die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit.
5.3. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.
5.4. Uit hetgeen in 5.2 en 5.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en T. Hoogenboom en H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) W. Altenaar.
AV