ECLI:NL:CRVB:2010:BM7600
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- R. Kooper
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verlaging bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en weigering leerwerkplek
Betrokkenen ontvingen bijstand sinds 1998 en werden geconfronteerd met verlagingen en intrekkingen van deze bijstand wegens vermeende schendingen van de inlichtingenverplichting en het weigeren van leerwerkplekken. Een onderzoek toonde aan dat betrokkene mogelijk zwart bijklustte en een garagebedrijf wilde opzetten, wat niet was gemeld. De gemeente trok daarom bijstand terug over een periode en legde een boete op.
De rechtbank had de intrekking en terugvordering vernietigd, stellende dat onvoldoende bewijs was voor inkomsten uit de autoactiviteiten en dat de medische situatie onvoldoende was onderzocht bij weigering van een leerwerkplek. In hoger beroep oordeelt de Raad dat de huurovereenkomst en factuur wel degelijk bewijs vormen dat betrokkene een bedrijfsruimte huurde en dat de gemeente aannemelijk heeft gemaakt dat werkzaamheden plaatsvonden die het recht op bijstand beïnvloeden.
De Raad stelt dat betrokkene onvoldoende bewijs heeft geleverd om aan te tonen dat hij recht op bijstand had gedurende de periode. Ook oordeelt de Raad dat appellant niet verplicht was aanvullend medisch onderzoek te verrichten naar de weigering van de leerwerkplek, gezien eerdere medische rapporten en de beperkte medische informatie bij weigering.
De Raad verklaart het beroep tegen het besluit van 27 november 2006 ongegrond en vernietigt het nader genomen besluit van 16 september 2008. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de bevoegdheid tot verlaging van de bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting en weigering van een leerwerkplek.