ECLI:NL:CRVB:2010:BM7214

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-2703 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 65 AbwArt. 17 WWBArt. 54, derde lid, aanhef en onder a, WWBArt. 58, eerste lid, aanhef en onder a, WWBArt. 5 Beleidsregels WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen bankrekeningen deels vernietigd

Appellante ontving bijstand van december 2002 tot juli 2006. Het college trok de bijstand in en vorderde terug wegens het niet melden van drie bankrekeningen en het niet verstrekken van bankafschriften. Uit onderzoek bleek dat er kasstortingen en bezorgvergoedingen waren gedaan die niet waren opgegeven.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college terecht de bijstand kon intrekken over de periode januari 2003 tot en met april 2006 vanwege schending van de inlichtingenplicht. Echter, voor december 2002 en mei tot en met juli 2006 ontbraken feitelijke gronden voor intrekking omdat er geen stortingen waren.

De Raad vernietigde daarom het besluit voor die maanden en de terugvordering over die periode. Tevens werd het primaire besluit herroepen en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Het college werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt deels vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

08/2703 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 25 maart 2008, 07/671 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo (hierna: College)
Datum uitspraak: 19 mei 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L. van Straten, advocaat te Hengelo, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Straten. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.P. Hageman, werkzaam bij de gemeente Hengelo.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante ontving van 20 december 2002 tot en met 31 juli 2006 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).
1.2. Uit een gegevensvergelijking tussen de belastingdienst en de Dienst Sociale Zaken en Welzijn van de gemeente Hengelo is gebleken dat appellante drie bankrekeningnummers op haar naam heeft staan en mogelijk beschikt over vermogensbestanddelen, welke door appellante niet zijn opgegeven. Het gaat om een SNS bankrekening met nummer [bankrekeningnummer 1] en om twee ABN AMRO bankrekeningen met nummers [bankrekeningnummer 2] en [bankrekeningnummer 3] (hierna: de drie bankrekeningen). Appellante is verschillende malen opgeroepen voor een gesprek en verzocht om onder meer alle bankafschriften van de drie bankrekeningen vanaf het jaar 2002 over te leggen.
1.3. Bij besluit van 23 januari 2007 heeft het College de bijstand van appellante over de periode van 20 december 2002 tot en met 31 juli 2006 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over deze periode ter hoogte van € 57.688,26 bruto van haar teruggevorderd. Aan het besluit tot intrekking is ten grondslag gelegd dat appellante in strijd met de op haar rustende wettelijke inlichtingenplicht geen mededeling heeft gedaan van de onder 1.2 genoemde drie bankrekeningen en geen volledige inzage heeft verschaft in de gegevens van deze bankrekeningen, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.
1.4. Hangende de bezwaarfase heeft de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de Sociale Recherche van de gemeente Hengelo nader onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn bankafschriften van de drie bankrekeningen bij financiële instellingen opgevraagd en is appellante verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van 27 april 2007.
1.5. Bij besluit van 8 mei 2007 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 januari 2007 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College overwogen dat uit de in de bezwaarfase ontvangen afschriften van de drie bankrekeningen en van de wel door appellante opgegeven Postbankrekening met nummer [bankrekeningnummer 4] is gebleken dat over de periode van 20 december 2002 tot en met 31 juli 2006 verscheidene niet door appellante gemelde kasstortingen en overboekingen hebben plaatsgevonden en appellante daarover geen verifieerbare verklaring heeft gegeven, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 mei 2007 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad overweegt ten aanzien van de aangevallen uitspraak als volgt.
4.1. Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en artikel 17, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.
4.2. Vaststaat en niet in geschil is dat appellante gedurende de hier te beoordelen periode van 20 december 2002 tot en met 31 juli 2006 de drie in rechtsoverweging 1.2 genoemde bankrekeningen op haar naam had staan en dat appellante van deze bankrekeningen geen mededeling heeft gedaan.
4.3. Ten aanzien van de intrekking over de periode 1 januari 2003 tot en met 30 april 2006 overweegt de Raad als volgt. Vaststaat en niet in geschil is dat gedurende de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 april 2006 op de drie bankrekeningen en de Postbankrekening verschillende bedragen zijn gestort en bezorgvergoedingen zijn overgemaakt en dat appellante van deze kasstortingen en bezorgvergoedingen geen mededeling heeft gedaan.
4.4. Naar vaste rechtspraak rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of kon beschikken. In een dergelijke situatie is het aan betrokkene om in genoegzame aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. De Raad is van oordeel dat appellante daarin niet is geslaagd. Uit de in de bezwaarfase en beroepsprocedure overgelegde getuigenverklaringen blijkt niet dat appellante niet over de kasstortingen en bezorgvergoedingen heeft kunnen beschikken. Ook anderszins heeft appellante niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aangetoond wat de herkomst was van de stortingen en bezorgvergoedingen en dat zij gedurende de periode in geding niet kon beschikken over de kasstortingen en bezorgvergoedingen op de bankrekeningen.
4.5. De Raad is van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 april 2006 niet (meer) kan worden vastgesteld, nu vanwege het ontbreken van objectieve en verifieerbare gegevens de herkomst van de op de rekening gestorte bedragen onduidelijk is gebleven.
4.6. Gelet op hetgeen onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand in te trekken over de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 april 2006. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking.
4.7. Naar het oordeel van de Raad is echter in de gedingstukken geen feitelijke grondslag te vinden voor de intrekking van de bijstand over de maand december 2002 en over de maanden mei 2006 tot en met juli 2006, omdat van stortingen of bezorgvergoedingen in deze maanden niet is gebleken. Uit de bankafschriften blijkt dat eerst op 30 januari 2003 op rekeningnummer [bankrekeningnummer 1] een bedrag is gestort van € 300,--. Daarnaast blijkt uit de bankafschriften dat op 7 april 2006 op rekeningnummer [bankrekeningnummer 2] een bedrag is gestort van € 100,-- en dat na die datum pas weer sprake is van stortingen op 2 en 17 augustus 2006, welke laatste data vallen buiten de periode in geding. Dit heeft tot gevolg dat het College niet bevoegd was de bijstand in te trekken over de maand december 2002 en de maanden mei 2006 tot en met juli 2006. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
4.8. Uit hetgeen onder 4.7 over de intrekking over de maanden december 2002 en mei tot en met juli 2006 is overwogen vloeit voort dat het College niet bevoegd was de kosten van de over die maanden verleende bijstand van appellante terug te vorderen. Het College was op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB wel bevoegd om de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 april 2006 van appellante terug te vorderen. Het College voert het beleid dat wordt teruggevorderd, tenzij sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 5 van Pro de beleidsregels. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen uitzonderingen als bedoeld dat artikel. Daarin zijn evenmin bijzondere omstandigheden gelegen op grond waarvan het College had dienen af te wijken van dit beleid.
4.9. Gelet op wat hiervoor is overwogen zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep tegen het besluit van 8 mei 2007 gegrond verklaren en dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen, voor zover daarbij de intrekking over de onder 4.7 vermelde maanden alsmede de terugvordering van kosten van bijstand is gehandhaafd. De Raad ziet voorts aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit van 23 januari 2007 te herroepen, voor zover daarbij de bijstand over de onder 4.7 vermelde maanden is ingetrokken. De Raad zal het College opdragen om - uitsluitend voor zover het de terugvordering betreft - een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
4.10. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 8 mei 2007 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de maanden december 2002 en mei tot en met juli 2006 en de terugvordering (geheel);
Herroept het besluit van 23 januari 2007 voor zover daarbij de bijstand over de maanden december 2002 en mei tot en met juli 2006 is ingetrokken;
Draagt het College op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--;
Bepaalt dat het College aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en N.M. van Waterschoot en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2010.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) N.M. van Gorkum.
AV