ECLI:NL:CRVB:2010:BM7190

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1181 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 7:10 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank en proceskostenveroordeling College bij intrekking beroep WWB

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het College om de algemene bijstand in te trekken per 1 juli 2007. Het College trok dit besluit op 18 oktober 2007 in en besloot de bijstand ongewijzigd voort te zetten. Appellant stelde vervolgens beroep in tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar. Op 9 november 2007 besloot het College het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontvallen van het belang, maar vergoedde wel de kosten van bezwaar en wettelijke rente.

Naar aanleiding van dit besluit trok appellant het beroep in en verzocht de rechtbank het College te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank wees dit verzoek af omdat het College al aan de bezwaren tegemoet was gekomen en appellant geen procesbelang meer had bij een spoedige beslissing.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het beroep terecht is ingesteld vanwege het niet tijdig beslissen door het College en dat het College gebruik had kunnen maken van een termijnverlenging. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank, veroordeelt het College in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en hoger beroep en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt het College in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en hoger beroep.

Uitspraak

08/1181 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te Amsterdam (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht van 9 januari 2008, 07/4379 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 8 juni 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.S. Vlieger, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2010. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 17 september 2007 heeft het College de aan appellant toegekende algemene bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand met ingang van 1 juli 2007 ingetrokken. Per brief van 27 september 2007 heeft de gemachtigde van appellant tegen dit besluit bezwaar gemaakt en daarbij tevens verzocht om vergoeding van de kosten van bezwaar en om wettelijke rente.
1.2. Bij besluit van 18 oktober 2007 heeft het College, onder intrekking van het besluit van 17 september 2007, bepaald dat de bijstand van appellant ongewijzigd wordt voortgezet.
1.3. Op 9 november 2007 heeft de gemachtigde van appellant beroep ingesteld tegen uitblijven van het besluit op bezwaar.
1.4. Bij besluit van 9 november 2007 heeft het College, gelet op het besluit van 18 oktober 2007, het bezwaar tegen het besluit van 17 september 2007 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontvallen van het belang bij een inhoudelijke beoordeling van de bezwaren. Daarbij heeft het College tevens de door appellant in bezwaar gemaakte kosten tot een bedrag van € 322,-- vergoed alsmede vastgesteld dat appellant recht heeft op € 15,-- aan wettelijke rente over de na te betalen bijstand. Naar aanleiding van dit besluit heeft de gemachtigde van appellant het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek aan de rechtbank het College te veroordelen in de gemaakte proceskosten.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzoek om het College te veroordelen in de proceskosten afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het College met het besluit van 18 oktober 2007 aan de bezwaren van appellant tegen het besluit van 17 september 2007 tegemoet was gekomen en dat appellant ten tijde van het instellen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen geen procesbelang meer had bij een spoedige beslissing op het bezwaarschrift. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt de enkele omstandigheid dat het College zich nog diende uit te spreken over het vergoeden van de kosten in bezwaar niet een beroep tegen het niet tijdig beslissen onmiddellijk na het verstrijken van de beslistermijn.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in Pro de kosten worden veroordeeld.
4.2. De Raad stelt vast dat het College niet voor afloop van de beslistermijn een besluit op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 september 2007 heeft genomen en dat appellant de dag na het verstrijken van die termijn beroep heeft ingesteld tegen het uitblijven van het besluit op bezwaar. Op de dag van indiening van het beroepschrift heeft het College op het bezwaar beslist, maar op die dag heeft appellant nog geen kennis kunnen nemen van het besluit op bezwaar. Voorts stelt de Raad vast dat eerst met het besluit van 9 november 2007 volledig aan de bezwaren van appellant tegemoet is gekomen, aangezien bij dat besluit niet alleen is beslist op het verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar, maar ook op het verzoek om vergoeding van schade, bestaande uit de wettelijke rente. Naar aanleiding van dit besluit heeft appellant het beroep ingetrokken. De Raad stelt vast dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb is voldaan. Naar het oordeel van de Raad ligt het ook in deze omstandigheden in de rede dat de rechtbank gebruik maakt van de in artikel 8:75a van de Awb neergelegde bevoegdheid. Daarbij merkt de Raad op dat het ingestelde beroep niet het gevolg is van de handelwijze van appellant, maar volgt uit de nalatigheid van het College om tijdig op het bezwaar te beslissen. Nu het College reeds bij besluit van 18 oktober 2007, onder intrekking van het besluit van 17 september 2007, een standpunt had ingenomen over de betwiste intrekking van bijstand per 1 juli 2007, valt niet in te zien dat het College niet voor het verstrijken van de termijn het besluit op bezwaar kon nemen. Bovendien had het College gebruik kunnen maken van de mogelijkheid ingevolge artikel 7:10, derde lid, van de Awb om de beslissing voor ten hoogste vier weken te verdagen.
4.3. De Raad zal, gelet op hetgeen in 4.2 is overwogen, de aangevallen uitspraak vernietigen en, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, een proceskostenveroordeling uitspreken. De proceskosten in eerste aanleg worden begroot op € 80,50 voor verleende rechtsbijstand (1 punt met de gewichtsfactor “zeer licht”).
5. De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 80,50;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--;
Bepaalt dat het College aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2010.
(get.) J.F. Bandringa.
(get.) C. de Blaeij.
AV