ECLI:NL:CRVB:2010:BM6785

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-2540 AW-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:84 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:75 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in hoger beroep ambtenarenzaak politie Utrecht

De Korpsbeheerder van de politieregio Utrecht heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Utrecht waarin hij werd opgedragen binnen zes weken een nieuwe beslissing te nemen over een toelage aan een aspirant politiemedewerker op basis van eerdere werkervaring.

Tegelijkertijd verzocht de Korpsbeheerder om een voorlopige voorziening om de uitvoering van die uitspraak te schorsen totdat het hoger beroep was beslist. De voorzieningenrechter stelde vast dat de Korpsbeheerder niet tijdig had toegelicht waarin de onverwijlde spoed bestond voor het treffen van een voorlopige voorziening.

De enkele omstandigheid dat de aangevallen uitspraak mogelijk niet in stand zal blijven, vormt volgens vaste jurisprudentie geen voldoende grond voor het oordeel dat een spoedeisend belang bestaat. Ook de financiële problemen of risico’s voor de organisatie van de Korpsbeheerder zijn onvoldoende om onverwijlde spoed aan te nemen.

Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens werd vastgesteld dat er geen proceskostenveroordeling aan de zijde van betrokkene toekomt.

De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter H.A.A.G. Vermeulen van de Centrale Raad van Beroep op 3 juni 2010.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van onverwijlde spoed en zwaarwegend belang.

Uitspraak

10/2540 AW-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:
de Korpsbeheerder van de politieregio Utrecht (hierna: verzoeker),
in verband met het hoger beroep van:
verzoeker
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 februari 2010, 09/72 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen :
[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)
en
verzoeker
Datum uitspraak: 3 juni 2010
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de behandeling van dit verzoek op een zitting achterwege gebleven.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij de aangevallen uitspraak is, voor zover hier van belang, aan verzoeker opgedragen binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Die zal, volgens verzoeker, slechts kunnen inhouden dat aan betrokkene, aspirant politiemedewerker, vanaf 6 april 2007 alsnog een toelage wordt toegekend op basis van eerdere werkervaring.
2. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter gevraagd de aangevallen uitspraak te schorsen totdat op het hoger beroep is beslist. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij de uitleg van de rechtbank van het beleid van de politie Utrecht voor onjuist houdt en zich hiermee niet kan verenigen.
3. De voorzieningenrechter kan ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker de vraag - onder verwijzing naar de uitspraak van 26 november 2009, LJN BK6850 - om nader aan te geven waarin de onverwijlde spoed tot het treffen van een voorlopige voorziening in dit geval is gelegen, niet (per ommegaande) heeft beantwoord.
5. Zoals onder 3.2 van de genoemde uitspraak is overwogen, vormt de enkele omstandigheid dat de aangevallen uitspraak naar de mening van verzoeker niet in stand zal kunnen blijven, op zichzelf niet een voldoende grondslag voor het oordeel dat een spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vordert. Van een in die uitspraak bedoeld zwaarwegend belang is de voorzieningenrechter hier niet gebleken. Dat kan de voorzieningenrechter ook niet zien in de met de uitvoering van de aangevallen uitspraak voor verzoekers organisatie gemoeide (financiële) problemen of risico’s.
6. De conclusie kan dus geen andere zijn dan dat geen sprake is van onverwijlde spoed die het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen.
7. De voorzieningenrechter stelt tot slot vast dat geen sprake is van proceskosten aan de kant van betrokkene die met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2010.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) P.W.J. Hospel.
RW