ECLI:NL:CRVB:2010:BM6002
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Minister mag bezwaar tegen ontslag niet zonder hoorzitting kennelijk ongegrond verklaren
Appellant was werkzaam bij de Belastingdienst en kreeg eervol ontslag wegens een ernstige vertrouwensbreuk. Hij maakte bezwaar tegen dit ontslag, dat kennelijk ongegrond werd verklaard zonder hoorzitting. Appellant stelde dat het bezwaar tijdig was ingediend en dat het besluit geen bezwaarclausule bevatte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad oordeelde dat de minister niet mocht afzien van een hoorzitting omdat appellant ook inhoudelijk bezwaar had gemaakt.
De Raad stelde vast dat het ontslagbesluit niet aangetekend was verzonden en dat appellant het besluit pas zes weken na datering ontving, wat de tijdigheid van het bezwaar verklaart. De minister was op de hoogte van de inhoudelijke bezwaren en had daarom niet per kerende post het bezwaar kennelijk ongegrond mogen verklaren. Dit was in strijd met artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en beval de minister een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht van appellant.
Uitkomst: Het besluit van de minister om het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren zonder hoorzitting wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.