08/2589 WWB
08/2591 WWB
08/6069 WWB
op de hoger beroepen van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraken van de rechtbank Arnhem van 13 maart 2008, 07/4445 en 07/4446, en van 4 september 2008, 07/4447, (hierna: aangevallen uitspraken),
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (hierna: College)
Datum uitspraak: 11 mei 2010
Namens appellante heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, gevestigd te Zoetermeer, hoger beroepen ingesteld.
Het College heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2010. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door W.C.M. Hermans, werkzaam bij de gemeente Arnhem.
1. De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante ontving sinds 8 januari 2002 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder in aanvulling op haar inkomsten uit arbeid, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).
1.2. Bij besluit van 9 maart 2007 heeft het College de bijstand van appellante op haar verzoek met ingang van 1 maart 2007 beëindigd.
1.3. Bij besluit van 14 maart 2007 heeft het College appellante meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een werkaanvaardingspremie omdat de beëindiging van de bijstand niet het gevolg is van werkaanvaarding.
1.4. Bij besluit van 16 maart 2007 heeft het College de bijstand van appellante over de periode van 1 februari 2007 tot en met 28 februari 2007 herzien in verband met nog niet verrekende inkomsten uit arbeid over die periode en de kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van € 383,49 van haar teruggevorderd.
1.5. Bij afzonderlijke besluiten van 14 september 2007 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 9, 14 en 16 maart 2007 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 14 september 2007 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraken gekeerd. Als belangrijkste grond heeft zij aangevoerd dat zij ten onrechte niet in aanmerking is gebracht voor een werkaanvaardingspremie. Gelet hierop heeft het College volgens haar ten onrechte niet opgenomen dat de beëindiging van de bijstand verband hield met werkaanvaarding. Verder had het College, volgens appellante, de te veel betaalde bijstand over februari 2007 moeten vaststellen op € 219,25 en had dit bedrag verrekend moeten worden met de werkaanvaardingspremie.
4.1. Ten aanzien van de beëindiging van bijstand overweegt de Raad het volgende.
4.1.2. Appellante heeft bij brief van 7 februari 2007 het College meegedeeld dat zij haar uitkering wil beëindigen met ingang van 1 maart 2007 omdat zij inkomsten uit werk heeft en verwacht op korte termijn over de haar toekomende alimentatie te kunnen beschikken.
4.1.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College op basis van dit schrijven op goede gronden is overgegaan tot beëindiging van de bijstand op eigen verzoek.
4.2. Ten aanzien van de werkaanvaardingspremie overweegt de Raad het volgende.
4.2.1. Op grond van artikel 13 van de - op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB gebaseerde - Re-integratieverordening WWB gemeente Arnhem verstrekt het College aan personen, die langer dan één jaar een uitkering krachtens de WWB hebben ontvangen, een tegemoetkoming in de kosten bij werkaanvaarding, wanneer die werkaanvaarding heeft geleid tot beëindiging van de uitkering.
4.2.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College appellante op goede gronden niet in aanmerking heeft gebracht voor deze premie. Appellante ontving immers de bijstand in aanvulling op haar inkomsten uit arbeid. Zij verwachtte naast dit salaris inkomsten uit alimentatie te ontvangen en dáármee over voldoende bestaansmiddelen te beschikken. Vooruitlopend hierop heeft zij de bijstand laten beëindigen. Dit betekent dat de beëindiging van de bijstand geen verband houdt met werkaanvaarding, hetgeen een voorwaarde vormt om voor de premie in aanmerking te komen.
4.3. Ten aanzien van de terugvordering overweegt de Raad het volgende.
4.3.1. De Raad is met de rechtbank en anders dan appellante van oordeel dat niet gebleken is dat het College de hoogte van de terugvordering onjuist heeft berekend. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de berekening van het terugvorderingsbedrag, zoals vermeld in het primaire besluit van 16 maart 2007 en door het College nader toegelicht in de brief van 9 mei 2007, niet juist zou zijn. Dat in gedingstuk B1-1 een bedrag van € 219,25 wordt genoemd, doet hier niet aan af aangezien dit bedrag niet het resultaat vormde van de berekening van het terugvorderingsbedrag.
4.3.2. Ook de grond dat het College de te veel betaalde bijstand met de werkaanvaardingspremie had moeten verrekenen slaagt niet omdat, zoals hiervoor onder 4.2.2 is geoordeeld, het College appellante op goede gronden niet voor deze premie in aanmerking heeft gebracht.
4.4. Uit het voorgaande volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen en de verzoeken tot schadevergoeding dienen te worden afgewezen.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
De Centrale Raad van Beroep;
Bevestigt de aangevallen uitspraken;
Wijst de verzoeken om veroordeling tot schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2010.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) R.B.E. van Nimwegen.