ECLI:NL:CRVB:2010:BM5111
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid gedurende wachttijd
Appellante heeft op 11 juni 2007 een aanvraag ingediend voor een WAO-uitkering met als eerste arbeidsongeschiktheidsdag 1 mei 1980. Het UWV heeft deze aanvraag op 28 september 2007 geweigerd omdat niet is voldaan aan de vereiste wachttijd van 52 weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid.
Na bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts op 12 december 2007 een rapport uitgebracht waarin werd geconcludeerd dat appellante mogelijk in 1980 een wachttijd is aangevangen, maar deze niet heeft doorlopen. Ook nadien was er geen periode van minimaal een jaar onafgebroken arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en de Raad bevestigt dit oordeel. De Raad overweegt dat het nadeel van het late indienen van de aanvraag en het daardoor onduidelijk zijn van de medische situatie op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag voor rekening van appellante komt. Het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts is zorgvuldig en de medische informatie na de datum in geding biedt geen aanknopingspunt voor het aannemen van onafgebroken arbeidsongeschiktheid.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens het niet aantonen van onafgebroken 52 weken arbeidsongeschiktheid.