ECLI:NL:CRVB:2010:BM5105

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-7347ZW+08-7348ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 AwbArt. 8:69 AwbArt. 8:75 AwbArt. 19 ZW
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Ziektewetuitkering na zorgvuldig bezwaaronderzoek

Appellante stelde beroep in tegen de weigering van het UWV om haar een uitkering op grond van de Ziektewet toe te kennen, nadat bezwaar ongegrond was verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste bestreden besluit gegrond en vernietigde dit besluit, maar verklaarde het beroep tegen het tweede bestreden besluit ongegrond.

In hoger beroep richtte appellante zich uitsluitend tegen het oordeel van de rechtbank over het tweede bestreden besluit. Zij voerde aan dat het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig was, omdat geen informatie was opgevraagd bij de behandelend longarts. Tevens stelde zij dat sprake was van een toename van arbeidsongeschiktheid en dat de Wet “Amber” toegepast had moeten worden.

De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt. De rechtbank had uitvoerig het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts en de medische informatie beoordeeld en geconcludeerd dat appellante vanaf 17 september 2007 geschikt was voor haar arbeid. Appellante had haar stelling van verslechtering niet onderbouwd met medische stukken. Verder wees de Raad erop dat op grond van de Awb geen ruimte is om aanspraken in het kader van de WAO te betrekken bij een besluit ter uitvoering van de Ziektewet.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden oordeel van de rechtbank en wees een vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

08/7347 ZW, 08/7348 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 18 december 2008, 08/186 en 08/423 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 mei 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2010. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Gerritsen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
1.2. Bij besluit van 10 september 2007 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 20 november 2006 (lees 20 oktober 2006) een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toe te kennen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 10 januari 2008 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.
1.3. Hangende het beroep tegen bestreden besluit 1 heeft het Uwv op 15 april 2008 een nieuw besluit op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen, waarbij het eerder ingenomen standpunt is verlaten en het bezwaar van appellante gegrond is verklaard. In dit besluit is overwogen dat appellante niet ingaande 20 oktober 2006, maar per
10 september 2007 (lees 17 september 2007) hersteld is voor haar arbeid. Aan dit besluit ligt het rapport van de bezwaarverzekeringsarts L.W. Ekker van 4 januari 2008 en 15 april 2008 ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepalingen gegeven ten aanzien van vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig is geweest. Zij heeft er in dat verband op gewezen dat de bezwaarverzekeringsarts heeft nagelaten om informatie bij de behandelend sector (longarts) op te vragen. Appellante stelt dat er duidelijk sprake was een toename van de arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO en de Wet “Amber” toegepast had moeten worden.
4.1. De Raad stelt vast dat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit 2.
4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Onder “zijn arbeid” wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvang van de ongeschiktheid feitelijk verrichte werk. In het geval van appellante is dat de functie van administratief medewerkster bij Thuiszorg voor 22 uur per week.
4.3. De Raad ziet in hetgeen door appellante in hoger beroep is aangevoerd geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan. De rechtbank is uitvoerig ingegaan op het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts en de zich onder de gedingstukken bevindende informatie uit de behandelend sector, en is op basis daarvan tot de conclusie gekomen dat het Uwv appellante terecht met ingang van 17 september 2007 geschikt heeft geacht voor haar arbeid. De Raad onderschrijft de daartoe door de rechtbank gegeven overwegingen en volstaat met een verwijzing daarnaar. Daarbij constateert de Raad dat appellante haar standpunt dat haar medische situatie ten tijde in geding is verslechterd, noch in beroep noch in hoger beroep heeft onderbouwd met medische stukken.
4.4. Ten aanzien van appellantes standpunt dat de Wet “Amber” toegepast had moeten worden, merkt de Raad op dat, mede gelet op het bepaalde in de artikelen 7:11 en 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in dit geding, waarin een besluit ter uitvoering van de ZW aan de orde is, geen ruimte is de aanspraken van appellante in het kader van de WAO daarbij te betrekken.
4.5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A.L. de Gier.
JL