ECLI:NL:CRVB:2010:BM5105
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering na zorgvuldig bezwaaronderzoek
Appellante stelde beroep in tegen de weigering van het UWV om haar een uitkering op grond van de Ziektewet toe te kennen, nadat bezwaar ongegrond was verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste bestreden besluit gegrond en vernietigde dit besluit, maar verklaarde het beroep tegen het tweede bestreden besluit ongegrond.
In hoger beroep richtte appellante zich uitsluitend tegen het oordeel van de rechtbank over het tweede bestreden besluit. Zij voerde aan dat het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig was, omdat geen informatie was opgevraagd bij de behandelend longarts. Tevens stelde zij dat sprake was van een toename van arbeidsongeschiktheid en dat de Wet “Amber” toegepast had moeten worden.
De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt. De rechtbank had uitvoerig het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts en de medische informatie beoordeeld en geconcludeerd dat appellante vanaf 17 september 2007 geschikt was voor haar arbeid. Appellante had haar stelling van verslechtering niet onderbouwd met medische stukken. Verder wees de Raad erop dat op grond van de Awb geen ruimte is om aanspraken in het kader van de WAO te betrekken bij een besluit ter uitvoering van de Ziektewet.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden oordeel van de rechtbank en wees een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.