ECLI:NL:CRVB:2010:BM5059

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6729 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor functie samensteller

Appellante werd sinds 1999 arbeidsongeschikt verklaard en ontving een WAO-uitkering. Deze uitkering werd in 2004 ingetrokken omdat zij geschikt werd geacht voor gangbare arbeid. In 2006 meldde zij zich ziek vanuit een WW-uitkering. Op 11 december 2007 werd haar medegedeeld dat zij geen recht meer had op een Ziektewet-uitkering omdat zij geschikt werd geacht voor de functie van samensteller.

Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 1 april 2008 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond en onderschreef het oordeel dat appellante geschikt was voor de functie samensteller, mede op basis van de beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts.

De Centrale Raad van Beroep sluit zich hierbij aan en wijst het door appellante overgelegde rapport van juni 2008 af als onvoldoende om het eerdere oordeel te wijzigen. De Raad bevestigt de intrekking van de Ziektewet-uitkering en ziet geen aanleiding tot het opleggen van proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor de functie samensteller.

Uitspraak

08/6729 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 4 november 2008, 08/1199 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 mei 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2010.
Appellante is verschenen bij gemachtigde mr. Driessen.
Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.G. Bombeeck.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante is op 22 december 1997 arbeidsongeschikt geworden voor haar werk als huishoudelijk medewerkster. In aansluiting op de wachttijd van 52 weken is aan appellante met ingang van 9 januari 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, bereken naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is met ingang van 17 november 2004 ingetrokken, omdat appellante geschikt werd geacht om gangbare arbeid te verrichten.
2. Appellante heeft zich op 6 juni 2006 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld.
3.1. Bij besluit van 11 december 2007 is aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van deze datum geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW), omdat zij op en na deze datum geschikt wordt geacht voor één van de eerder geduide functies, te weten die van samensteller.
3.2. Bij besluit van 1 april 2008 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 december 2007 ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts de belastbaarheid van appellante, zoals vastgesteld bij de beoordeling in het kader van de WAO, ten tijde hier in geding onverminderd van toepassing heeft geacht en dat de belasting in de destijds geschikt geachte functie van samensteller (Sbc-code 111180) volgens deze arts daar volledig binnenvalt. De rechtbank zag geen reden de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts, die kennis had genomen van informatie van de behandelend sector, niet te onderschrijven en heeft daarbij het standpunt van het Uwv gevolgd dat het door appellante in beroep overgelegde verzekeringsgeneeskundige rapport van 6 juni 2008 geen betrekking heeft op de datum hier in geding.
5. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. De verzekeringsarts R.H.C.J. Mentink, die appellante op 22 mei 2008 in het kader van een schuldsanering heeft gezien, heeft in zijn vorenbedoelde rapport van 6 juni 2008 vermeld dat bij appellante “in de laatste 2 maanden een duidelijke, objectiveerbare verslechtering is opgetreden, die haar thans volledig arbeidsongeschikt maakt”. Dit in aanmerking genomen kan aan dit rapport niet de conclusie worden verbonden dat appellante op de thans in geding zijnde datum meer beperkt was dan van de zijde van het Uwv is aangenomen.
6. Uit hetgeen is overwogen onder 5 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
7. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A.L. de Gier.
CVG