ECLI:NL:CRVB:2010:BM3900

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6836 Wajong
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51 derde lid WAJONGWet verhoging uitkeringshoogte arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste vaststelling hoogte WAJONG-uitkering bij samenloop met WAO-uitkering

Appellant maakte bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie van juli 2007, waarin het UWV de WAJONG-uitkering niet verhoogde met 5% naast de verhoging van de WAO-uitkering van 70% naar 75%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de appellant ging in hoger beroep.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het UWV terecht de uitkering per 1 juli 2007 had vastgesteld. De appellant stelde dat de aanvulling op de arbeidsongeschiktheidsuitkering, het gegarandeerde bedrag van fl. 22,94 bruto per uitkeringsdag, ook met 5% verhoogd had moeten worden. De Raad stelde vast dat deze aanvulling gebaseerd is op een lagere mate van arbeidsongeschiktheid en dat de wet alleen volledige arbeidsongeschiktheidsuitkeringen verhoogt van 70% naar 75%.

De Raad concludeerde dat geen wettelijke bepaling bestaat die vereist dat de aanvulling met 5% wordt verhoogd. Daarom kon het hoger beroep niet slagen en werd de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitspraak

08/6836 Wajong
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 5 november 2008, 07/3617 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 7 mei 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2010, waar appellant met kennisgeving niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank hieromtrent met juistheid in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Hier volstaat de Raad met het volgende.
1.2. Appellant heeft op 22 juli 2007 bezwaar gemaakt tegen de uitkeringsspecificatie van de maand juli 2007. Dit bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 22 oktober 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daartoe onder meer het volgende overwogen (waarbij appellant is aangeduid als eiser en gedaagde als verweerder):
“Eiser heeft een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG), welke onmiddellijk voorafgaand aan 13 december 1999 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35 %, maar met ingang van 13 december 1999 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Eiser heeft ook een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), eveneens berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Verweerder past de in artikel 51, derde lid, van de WAJONG neergelegde anti-cumulatieregeling toe, inhoudende dat de WAJONG-uitkering slechts wordt uitbetaald voor zover deze de WAO-uitkering overtreft, maar in ieder geval wordt uitbetaald tot de hoogte van het bedrag onmiddellijk voorafgaande aan de herziening, te weten fl. 22,94 bruto per uitkeringsdag. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de hoogte van de uitkering per 1 juli 2007 juist is vastgesteld. Zowel het WAO-gedeelte als het WAJONG-gedeelte ervan is verhoogd van 70% naar 75%.”
(…)
“Eisers arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat uit twee gedeeltes: een gecombineerde volledige WAO-uitkering en volledige WAJONG-uitkering en een aanvulling in verband met het gegarandeerde bedrag van fl. 22,94 bruto per uitkeringsdag (…). Van de gecombineerde WAO-/WAJONG-uitkering wordt feitelijk alleen het WAO-gedeelte betaald, omdat het WAJONG-gedeelte lager is dan het WAO-gedeelte, conform de hierboven bedoelde anti-cumulatieregeling. Dit gedeelte van eisers arbeidsongeschiktheidsuitkering bedroeg vóór 1 juli 2007 70% van de grondslag. Dit gedeelte heeft verweerder terecht verhoogd van 70% naar 75%. Op het andere gedeelte van eisers arbeidsongeschiktheidsuitkering, de aanvulling in verband met het gegarandeerde bedrag, heeft verweerder terecht geen verhoging van 5% toegepast. De verhoging van de WAO-uitkeringen en WAJONG-uitkering van 70% naar 75%, zoals deze is neergelegd in de Wet verhoging uitkeringshoogte arbeidsongeschiktheidswetten (Wet van 20 december 2007, Stb. 2007, 567) heeft uitsluitend betrekking op volledige arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. In eisers geval is dat alleen het eerste gedeelte van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering. In genoemde wet is geen enkele bepaling opgenomen waaruit zou moeten worden afgeleid dat de aanvulling in verband met het gegarandeerde bedrag met 5% zou moeten worden verhoogd (…)”.
3. Appellant is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen onder herhaling van zijn in eerdere instanties aangevoerde gronden. Appellant stelt dat hij enkel een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt en dat blijkens de voornoemde Wet verhoging uitkeringshoogte arbeidsongeschiktheidswetten duidelijk is vermeld dat volledige uitkeringen verhoogd dienen te worden. Appellant blijft van mening dat ten onrechte alleen het WAO-gedeelte van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering is verhoogd van 70% naar 75%, terwijl het WAJONG-gedeelte (afgezien van de indexering van 1,25%) ongewijzigd is gebleven.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen dat het Uwv terecht de hoogte van de uitkering per 1 juli 2007 heeft vastgesteld. De Raad overweegt dat appellant met zijn beroepsgrond dat het WAJONG-gedeelte ten onrechte ongewijzigd is gebleven heeft doen aanvoeren dat zijn aanvulling op zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering, in verband met het gegarandeerde bedrag van fl. 22,94 bruto per uitkeringsdag, met 5% had moeten worden verhoogd.De Raad stelt vast dat blijkens een beslissing van 20 april 1988 ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet deze aanvulling is gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, waarbij een uitkering hoort van 21%. Het Uwv heeft bij brief van 24 april 2008 inzichtelijk gemaakt dat zowel de WAJONG-uitkering als de WAO-uitkering verhoogd is van 70% naar 75%, maar dat de aanvulling (behoudens de indexering van 1,25%) niet is verhoogd met 5%. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv dit op goede gronden gedaan, nu uit de Wet verhoging uitkeringshoogte arbeidsongeschiktheidswetten volgt dat alleen volledige arbeidsongeschiktheidsuitkeringen verhoogd worden van 70% naar 75%. Geen bepaling is opgenomen waaruit zou moeten worden afgeleid dat de aanvulling in verband met het gegarandeerde bedrag, met 5% zou moeten worden verhoogd.
4.2. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen zodat als volgt moet worden beslist.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2010.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.A. van Amerongen.
CVG