ECLI:NL:CRVB:2010:BM3584

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5659 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
  • C.P.M. van de Kerkhof
  • A.A.H. Schifferstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens herstel arbeidsgeschiktheid

Appellant, voorheen werkzaam als begeleider bij een asielzoekerscentrum, meldde zich op 20 februari 2007 ziek met klachten zoals hoofdpijn en nekpijn. Na meerdere bezoeken aan de verzekeringsarts werd hij op 8 oktober 2007 hersteld verklaard en verloor hij het recht op ziekengeld.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard. In beroep voerde appellant aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn medische beperkingen, waaronder psychische klachten. Hij overlegde medische stukken van behandelaars, waaronder een psychiater.

De Raad overwoog dat appellant pas na de datum in geschil onder behandeling kwam bij psycholoog en psychiater, en dat het medisch onderzoek van het UWV voldoende zorgvuldig was. De aanvullende informatie gaf geen aanleiding het oordeel te herzien. Ook de knieklachten stonden het verrichten van arbeid niet in de weg.

De Raad zag geen reden een onafhankelijke deskundige in te schakelen en bevestigde het oordeel dat appellant per 8 oktober 2007 arbeidsgeschikt was. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd daarmee bekrachtigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant per 8 oktober 2007 niet langer ongeschikt was voor zijn arbeid en geen recht meer had op ziekengeld.

Uitspraak

08/5659 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 augustus 2008, 08/12 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 mei 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Florijn.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, voorheen werkzaam als begeleider en opvangmedewerker bij een asielzoekerscentrum voor 32 uur per week heeft zich vanuit een situatie dat hij uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving op 20 februari 2007 ziek gemeld vanwege hoofdpijn, duizeligheid en nekklachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant meerdere malen het spreekuur van verzekeringsarts H. Alsafar bezocht. Na het laatste spreekuur is appellant per 8 oktober 2007 hersteld verklaard.
1.2. Bij besluit van 8 oktober 2007 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij vanaf 8 oktober 2007 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid en daarom met ingang van die datum geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW).
1.3. Het tegen het besluit van 8 oktober 2007 gerichte bezwaar van appellant is na onderzoek door bezwaarverzekeringsarts J.M. Fokke op 12 november 2007 bij besluit van 19 november 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. In beroep heeft appellant ter onderbouwing van het standpunt dat onvoldoende rekening is gehouden met de medische beperkingen informatie van de behandelend sector overgelegd. Het gaat om afsprakenkaarten, een verwijsbrief van de huisarts van 12 september 2007, een verklaring van de acupuncturist van 28 januari 2008, een verklaring van de fysiotherapeut van 23 juni 2008 en een brief van psychiater drs. S. Gülsaçan van 23 juni 2008. Bezwaarverzekeringsarts R.F. Seleski heeft op deze informatie op 14 februari 2008 en 17 juli 2008 gereageerd en daarbij het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien aan de juistheid van dat oordeel te twijfelen en het beroep ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat niet onaannemelijk is dat de naderhand door psychiater Gülsaçan gestelde diagnose ook al van toepassing was op de datum in geding. In dat verband is een aanvullend rapport van de psychiater van 25 maart 2010 in geding gebracht. Voorts is verzocht een onafhankelijk deskundige in te schakelen.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.
4.3. De Raad beantwoordt de vraag of appellant per 8 oktober 2007 in staat is geweest zijn arbeid te verrichten bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
4.4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsarts voldoende zorgvuldig is geweest en ziet in de in (hoger) beroep ingebrachte informatie van de behandelend sector geen aanleiding om te oordelen dat de beperkingen door het Uwv zijn onderschat. Ten aanzien van de psychische klachten stelt de Raad vast dat appellant blijkens het beroepschrift - waarbij afsprakenkaarten werden meegezonden voor deze klachten - pas na de datum in geding onder behandeling is gekomen bij een psycholoog en psychiater, te weten op 15 november 2007 respectievelijk 10 december 2007. Bezwaarverzekeringsarts G.H. Nagtegaal heeft op 31 maart 2010 gemotiveerd uiteengezet waarom er onvoldoende aanknopingspunten zijn om de door psychiater Gülsaçan gestelde diagnose ook van toepassing te achten per de datum in geding. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts onderbouwd waarom naar zijn oordeel geen sprake is van het op psychische gronden niet kunnen verrichten van de in aanmerking te nemen arbeid. De Raad acht deze toelichting overtuigend en ziet geen aanleiding deze niet te volgen. Ook ten aanzien van de knieklachten volgt de Raad het standpunt van het Uwv dat onvoldoende is gebleken dat deze aan het verrichten van vorenbedoelde arbeid in de weg zouden hebben gestaan.
4.5. Nu de Raad gelet op de beschikbare gegevens niet twijfelt aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv ziet de Raad geen aanleiding tot het inschakelen van een deskundige.
5. Hetgeen is overwogen onder 4.2 tot en met 4.5 leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M. Mostert.
KR