ECLI:NL:CRVB:2010:BM3436

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2163 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:26 AwbArt. 8:73 AwbArt. 8:75 AwbArt. 4:102 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak en toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in WAO-uitkeringszaak

Appellant ontving op 12 februari 2004 een WAO-uitkering van het UWV, berekend op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%. Tegen dit besluit maakte appellant bezwaar, dat op 8 juli 2004 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellant ging in hoger beroep tegen dit laatste deel van de uitspraak.

Tijdens de procedure trok het UWV het oorspronkelijke besluit in en kende appellant een uitkering toe op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Hierdoor werd de eerdere uitspraak vernietigd voor zover de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand waren gelaten. Appellant vorderde tevens vergoeding van wettelijke rente en immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Raad oordeelde dat de bestuursfase niet te lang had geduurd, maar dat de behandeling van het hoger beroep ruim vijf jaar in beslag nam, wat leidde tot een schending van de redelijke termijn. Op grond hiervan werd het verzoek tot schadevergoeding toegewezen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht. Het onderzoek werd heropend met de Staat der Nederlanden als partij voor een nadere uitspraak over de schadevergoeding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de eerdere uitspraak en veroordeelt het UWV tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

05/2163 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 maart 2005, 04/2272 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H. Martens, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2007. Appellant is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.
De Raad heeft aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.
Op verzoek van de Raad heeft de deskundige prof. dr. L. Abraham-Inpijn, internist, op 11 juli 2007 verslag en advies uitgebracht, aangevuld bij brief van 17 december 2007.
Vervolgens heeft op verzoek van de Raad de deskundige dr. J.B.K. Lanser, neuropsycholoog, op 18 mei 2009 verslag en advies uitgebracht.
Op 28 oktober 2009 heeft een nieuw onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde. Het Uwv werd vertegenwoordigd door W.L.J. Weltevrede.
De Raad heeft aanleiding gezien het onderzoek ter zitting te schorsen.
Het Uwv heeft bij brief van 12 november 2009 een nieuw besluit op bezwaar van diezelfde datum ingezonden.
De zaak is verwezen naar de enkelvoudige kamer. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2010. Appellant is verschenen in persoon. Het Uwv is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 12 februari 2004 heeft het Uwv appellant met ingang van 4 februari 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 9 maart 2004, bij het Uwv ingekomen op 12 maart 2004, bezwaar gemaakt.
1.2. Het bezwaar van appellant is bij besluit van 8 juli 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Appellant heeft bij brief van 23 juli 2004 beroep bij de rechtbank ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep bij de aangevallen uitspraak - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven.
3.1. Appellant heeft bij een op 12 april 2005 bij de Raad ingekomen faxbericht hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten.
3.2. Op 12 november 2009 heeft het Uwv een gewijzigd besluit op het bezwaar van appellant genomen, waarbij het besluit van 12 februari 2004 wordt herroepen en appellant met ingang van 4 februari 2004 een uitkering ingevolge de WAO wordt toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad stelt vast dat het Uwv het bestreden besluit heeft ingetrokken. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten, vernietigd moet worden.
4.2. Appellant heeft ter zitting verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente. Nu het Uwv de onrechtmatigheid van het bestreden besluit heeft erkend, komt het verzoek om toepassing van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor toewijzing in aanmerking. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellant toekomende vergoeding, bestaande uit wettelijke rente over de na te betalen uitkering dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495, gepubliceerd in JB 1995, 314 en artikel 4:102 van Pro de Awb.
4.3. Met het nadere besluit van 12 november 2009 is wat de hoogte van appellants uitkering betreft geheel aan zijn beroep tegemoet gekomen. De Raad zal dit besluit niet in zijn beoordeling betrekken.
5.1. Appellant heeft de Raad bij brief van 2 april 2009 verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.2. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant, zoals ook uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.
5.3. Voor de wijze van beoordeling van een geval als het voorliggende verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009).
5.4. Voor dit geding betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellant op 12 maart 2004 tot de datum van deze uitspraak zijn zes jaar en twee maanden verstreken. De Raad heeft vooralsnog noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant, aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv in de bestuurlijke fase de hem toekomende behandelingsduur niet overschreden. De Raad stelt vast dat de behandeling door de rechtbank nog geen acht maanden heeft geduurd en de behandeling van het hoger beroep door de Raad ruim vijf jaar. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden door de Raad.
5.5. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van Pro de Awb moet worden beslist omtrent appellants verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met - eveneens - verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van Pro de Awb merkt de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.
6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 966,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten;
Veroordeelt het Uwv om aan appellant schadevergoeding te betalen zoals in overweging 4.2 is aangegeven;
Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder nummer 10/2442 BESLU ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie) aan als partij in die procedure;
Veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 966,--, te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 103,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2010.
(get.) C.P.M. van de Kerkhof.
(get.) A.E. van Rooij.
TM