ECLI:NL:CRVB:2010:BM2762

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6744 WAO + 09-5865 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Riphagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening WAO-uitkering wegens wijziging arbeidskundige grondslag afgewezen

Appellante ontvangt sinds 2004 een WAO-uitkering, laatstelijk vastgesteld op 80-100% arbeidsongeschiktheid. In 2007 werd haar uitkering herzien naar 45-55% op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek. Het bezwaar hiertegen werd ongegrond verklaard. De Raad stelde vast dat het UWV het eerste besluit niet langer handhaaft vanwege een onjuiste arbeidskundige grondslag en stelde de arbeidsongeschiktheid vast op 55-65%.

Appellante voerde aan dat haar medische beperkingen, waaronder vermoeidheids- en depressieve klachten, onvoldoende waren meegewogen en dat zij volledig arbeidsongeschikt bleef. De Raad oordeelde dat de medische grondslag gelijk bleef en dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij ook de huisartsgegevens waren betrokken. Er was geen objectieve onderbouwing dat haar klachten onderschat waren.

De arbeidskundige onderbouwing van het nieuwe besluit werd als juist beoordeeld, mede gelet op een rapport van een arbeidsdeskundige en de jurisprudentie over het Claim Beoordelings- en Borgings Systeem. Het hoger beroep werd afgewezen. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellante tegen de herziening van haar WAO-uitkering wordt afgewezen en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

08/6744 WAO + 09/5865 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 14 oktober 2008, 08/517, (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A. Bijlsma, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 7 januari 2009 heeft mr. N.E. van Uitert, advocaat te Leeuwaren zich als gemachtigde van appellante gesteld en zijn de gronden van het hoger beroep aangevuld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 14 oktober 2009 -met bijlagen- heeft het Uwv, naar aanleiding van een vraagstelling van de Raad, een nieuw besluit op bezwaar van eveneens 14 oktober 2009 overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2010. Appellante en haar gemachtigde zijn – met bericht – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer T.R. Vallinga.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante ontvangt sinds 4 maart 2004 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2. In maart 2007 is appellante in het kader van een herbeoordeling gezien door A.J.A. Prange, verzekeringsarts, die op basis van dossierstudie, anamnese en een lichamelijk en psychisch onderzoek heeft geconcludeerd dat appellante in staat is tot het verrichten van passende arbeid en een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), gedateerd 28 maart 2007, heeft opgesteld. Uit het arbeidskundig onderzoek, dat op het medisch onderzoek volgde, kwam naar voren dat appellante in staat is te achten tot het vervullen van een aantal functies en dat appellantes verlies aan verdiencapaciteit daarmee te stellen was op 45 tot 55%. Op grond van de bevindingen en conclusies van dit medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 6 juli 2007 appellantes WAO-uitkering met ingang van 7 september 2007 herzien van 80 tot 100% naar 45 tot 55%.
1.3. Het door appellante tegen dat besluit gemaakt bezwaar is door het Uwv bij besluit van 23 januari 2008 (hierna: besluit 1) ongegrond verklaard. Aan dit besluit lag een rapport van zowel de bezwaarverzekeringsarts als de bezwaararbeidsdeskundige ten grondslag.
1.4. Appellante heeft tegen besluit 1 beroep ingesteld. Zij heeft daarbij – samengevat – naar voren gebracht dat haar medische beperkingen zijn onderschat en dat de belastbaarheid van appellante in de geduide functies wordt overschreden.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard.
3.1. De Raad overweegt als volgt.
3.2. Naar aanleiding van een vraagstelling van de Raad heeft het Uwv nader onderzoek gedaan. Dit heeft het Uwv tot het oordeel gebracht dat de functie schadecorrespondent (sbc-code 516080), vanwege het door appellante niet voldoen aan de opleidingseis, niet geduid had mogen worden met als gevolg een wijziging van de mediane loonwaarde. Deze wijziging leidt tot het oordeel dat appellantes mate van arbeidsongeschiktheid per 7 september 2007 dient te worden vastgesteld op 55 tot 65%. Bij zijn onder I genoemde besluit van 14 oktober 2009 (hierna: besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen besluit 1 gegrond verklaard en dit besluit herroepen in die zin dat de mate van arbeidsongeschiktheid per de datum in geding op 55 tot 65% dient te worden gesteld. Nu met besluit 2 niet geheel aan appellantes hoger beroep tegemoet is gekomen, moet haar hoger beroep ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid , en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht worden mede te zijn gericht tegen besluit 2.
3.3. De Raad stelt vast dat het Uwv besluit 1, wegens een onjuiste arbeidskundige grondslag, niet langer handhaaft. Gelet hierop komt de aangevallen uitspraak, waarbij besluit 1 in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking.
3.4. Bij besluit 2 heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat appellantes mate van arbeidsongeschiktheid per 7 september 2007 dient te worden herzien van 80 tot 100% naar 55 tot 65%. Appellante is van mening per de datum in geding onverminderd volledig arbeidsongeschikt te zijn gebleven. Zij heeft daartoe aangevoerd dat bij het vaststellen van de beperkingen onvoldoende rekening is gehouden met haar vermoeidheids- en depressieve klachten. Primair stelt appellante zich op het standpunt dat gelet op de consistente rapportages van de behandelend sector, ook al is niet geheel duidelijk aan welke ziekte of aan welk gebrek haar onvermogen om arbeid te verrichten kan worden toegeschreven, volledige arbeidsongeschiktheid had moeten worden aangenomen. Secundair stelt appellante dat de gegevens van de behandelend sector onmiskenbaar aanleiding hadden moeten geven tot het opleggen van een duurbeperking. Tot slot stelt appellante dat de belasting in de geduide functies haar belastbaarheid overschrijden.
4.1. De Raad stelt vast dat de reden voor het niet langer handhaven door het Uwv van besluit 1 en de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op 55 tot 65% in plaats van 45 tot 55% gelegen ligt in een wijziging in de arbeidskundige grondslag. De medische grondslag van besluit 2 is dan ook gelijk aan die van besluit 1.
4.2. De Raad ziet in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geen aanleiding het standpunt van appellante dat het onderzoek door de artsen van het Uwv onzorgvuldig en onvolledig is geweest en haar medische beperkingen zijn onderschat te volgen. De Raad overweegt hiertoe dat de door de primair verzekeringsarts opgestelde FML gemotiveerd is onderschreven door de bezwaarverzekeringsarts. Deze arts heeft zijn bevindingen, die hebben geleid tot het onderschrijven van eerder genoemde FML, gebaseerd op de in het dossier aanwezige medische informatie, zijn bevindingen naar aanleiding van de hoorzitting, en verkregen informatie van appellantes huisarts. De huisarts heeft in zijn brief van 26 november 2007 aangegeven dat appellante bij hem onder behandeling is vanwege chronische vermoeidheid en depressieve klachten. Daarbij heeft hij voorts aangegeven dat geen organische oorsprong kon worden aangetoond voor de vemoeidheidsklachten. De Raad stelt vast dat, nu appellante noch in beroep noch in hoger beroep met medische informatie haar stelling heeft onderbouwd dat haar vermoeidheidsklachten zijn onderschat er geen objectieve oorzaak voor haar vermoeidheid is aangegeven. Met appellante is de Raad van oordeel dat de aanwezigheid van haar vermoeidheidsklachten als zodanig door de behandelend sector wordt omschreven, maar de opvatting dat op de datum in geding een verband is tussen deze klachten en de operatieve behandeling van baarmoederhalskanker wordt niet uitgesproken. Dit geldt eveneens voor de bij appellante bestaande rug- en psychische klachten. Anders dan appellante stelt is onder deze omstandigheden naar het oordeel van de Raad niet voldaan aan de, onder meer in zijn uitspraak van 9 juni 2009, gepubliceerd onder LJN BI9617, omschreven objectiveringseis. Overigens merkt de Raad nog op dat de namens appellante in beroep overgelegde informatie, algemene informatie omtrent het verband tussen vermoeidheidsklachten en kanker en de behandeling daarvan betreft, en op zich nog niets zegt over de mate waarin appellante zelf daardoor in objectieve zin beperkingen ondervindt. Mocht appellante met het overleggen van deze informatie impliciet een beroep hebben willen doen op de uitspraak van de Raad van 6 september 2000, gepubliceerd onder LJN AA8466, oordeelt de Raad dat nu uit de medische stukken blijkt dat chemotherapie en bestralingen geen onderdeel hebben uitgemaakt van de behandeling die appellante ter bestrijding van haar ziekte heeft ondergaan, zodat deze jurisprudentie niet op de onderhavige beoordeling van toepassing kan worden geacht. De Raad heeft geen aanwijzingen kunnen vinden om aan te nemen dat de belastbaarheid van appellante per 7 september 2007 door de artsen van het Uwv is overschat. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor een deskundigenonderzoek.
4.3 Voor wat betreft de arbeidskundige grondslag van besluit 2 overweegt de Raad dat uit het in hoger beroep overgelegde rapport van bezwaararbeidsdeskundige M.E. van der Molen van 8 oktober 2009 blijkt dat aan de onderhavige schatting de functies telefonist/receptionist (sbc-code 315120), vleeswarenmaker (sbc-code 271070) en wikkelaar (sbc-code 267050) ten grondslag zijn gelegd. Uitgaande van een mediane loonwaarde van € 11,28 heeft de bezwaar-arbeidsdeskundige het verlies aan verdiencapaciteit van appellante naar het oordeel van de Raad op goede gronden vastgesteld op 60,05%, hetgeen indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65% rechtvaardigt.
4.4. De Raad is tot slot van oordeel dat de arbeidskundige onderbouwing van besluit 2, mede gelet op het rapport van arbeidsdeskundige W.F. Boorsma van 5 juli 2007, in overeenstemming is met de jurisprudentie van de Raad over het aangepaste Claim Beoordelings- en Borgings Systeem (CBBS) waarin onder meer is overwogen dat alle door het CBBS op de functiebelastingen aangebrachte signaleringen van een afzonderlijke toelichting dienen te worden voorzien,
4.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante dat mede gericht moet worden geacht tegen besluit 2 niet slaagt.
5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, tezamen € 966,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen besluit 2 ongegrond;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,--;
Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep, in totaal €146,-- vergoedt;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2010.
(get.) J. Riphagen.
(get.) R.L. Rijnen.
EK