ECLI:NL:CRVB:2010:BM2756
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- H. Bolt
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering WIA
Appellante was van oktober 2002 tot februari 2005 gedetineerd en werkte tijdens detentie in een beschermde setting. Na haar detentie werkte zij van april tot juli 2005 bij uitzendbureau Accent, waarna zij zich ziek meldde wegens zwangerschapsgerelateerde klachten. Het UWV weigerde haar WIA-uitkering per 3 december 2007 omdat zij volgens het UWV al bij aanvang van haar verzekering volledig arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde dat zij bij aanvang van de verzekering geen reële arbeidscapaciteit had. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij wel degelijk arbeid had verricht en dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar haar arbeidsverleden bij Accent.
De Raad oordeelt dat het UWV zijn onderzoeksplicht onvoldoende is nagekomen, met name door onvoldoende verificatie van de door appellante overgelegde informatie over haar werk bij Accent. De Raad stelt dat het enkele bestaan van klachten niet voldoende is voor volledige arbeidsongeschiktheid en dat de wijze en duur van arbeid verricht mede moeten worden betrokken.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en draagt het UWV op om een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van het UWV dat appellante bij aanvang van haar verzekering volledig arbeidsongeschikt was, wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.