AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vaststelling pensioencompensatie en wettelijke rente bij FPU-ontslag TU Delft
Betrokkene was van 1969 tot 2004 werkzaam bij TU Delft en ging op 1 februari 2004 met FPU-ontslag. Partijen sloten in 1999 een vaststellingsovereenkomst over FPU-ontslag met een FPU-aanvulling en compensatie voor pensioenverlies. Na het ontslag ontstond discussie over de juiste berekening en uitbetaling van de pensioencompensatie en FPU-aanvulling.
De rechtbank oordeelde dat de helft van het pensioenverlies over vier dienstjaren gecompenseerd moest worden, maar liet de exacte berekening open. De Raad bevestigt dit en stelt vast dat de juiste pensioencompensatie €86.811,51 bedraagt, aanzienlijk hoger dan het door appellant gehanteerde bedrag van €45.625. De Raad wijst de door appellant voorgestelde berekeningsmethode af wegens gebrek aan onderbouwing en sluit aan bij de redelijke verwachtingen van partijen.
Verder oordeelt de Raad dat appellant in verzuim was met het tijdig uitbetalen van de compensatie en FPU-aanvulling en daarom wettelijke rente verschuldigd is vanaf 1 april 2005 over het bruto bedrag tot aan volledige voldoening. Appellant wordt veroordeeld in de proceskosten van betrokkene. De Raad draagt appellant op een nieuwe beslissing te nemen over de wettelijke rente met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Pensioencompensatie vastgesteld op €86.811,51 en appellant opgedragen wettelijke rente te vergoeden vanaf 1 april 2005.
Uitspraak
07/471 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
het College van Bestuur van de Technische Universiteit Delft (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 december 2006, 05/6208 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)
en
appellant
Datum uitspraak: 15 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft tegelijk met de behandeling van het hoger beroep van betrokkene (07/465 AW) plaatsgevonden op 16 oktober 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.H.J. ter Meulen en P.L.J. Kuip, beiden werkzaam bij de Technische Universiteit Delft (hierna: TU Delft), en J.J. Rijnja, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. S.G. Volbeda, advocaat te Arnhem.
Na de behandeling ter zitting is het onderzoek heropend. Aan betrokkene is verzocht enige aanvullende gegevens in te zenden en enige vragen te beantwoorden. Appellant heeft op de nadere gegevens en de beantwoorde vragen gereageerd.
Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 19 november 2009 (tegelijk met het hoger beroep inzake 07/465 AW) en op 4 maart 2010. Appellant heeft zich beide keren laten vertegenwoordigen door mr. Ter Meulen en P.L.J. Kuip voornoemd, en op 4 maart 2010 mede door J.J. Rijnja voornoemd. Betrokkene is beide keren verschenen, bijgestaan door mr. Volbeda voornoemd.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Betrokkene is vanaf 1 november 1969 tot 1 februari 2004 aangesteld geweest bij de TU Delft. In juli 1999 hebben appellant en betrokkene een vaststellingsovereenkomst (hierna: overeenkomst) gesloten die onder meer inhield dat betrokkene bij het bereiken van de 61-jarige leeftijd per 1 februari 2004 met FPU-ontslag zou gaan en daarbij een nader omschreven aanvulling op zijn FPU-uitkering (hierna: FPU-aanvulling) en een nader aangeduide compensatie voor het pensioenverlies tijdens zijn FPU-jaren zou krijgen. Bij besluit van 12 augustus 1999 heeft appellant betrokkene onder meer meegedeeld dat het totaalbedrag van de FPU-aanvulling en de pensioenpremie bij zijn ontslag zou worden uitbetaald. Met ingang van 1 februari 2004 is betrokkene met FPU-ontslag gegaan. De FPU-uitkering is niet tot uitbetaling gekomen ten gevolge van een aan betrokkene toegekende WAO-uitkering.
1.2. In 2004 hebben partijen gecorrespondeerd over de inhoud en de uitvoering van de FPU-aanvulling en de pensioencompensatie, hetgeen in november en december 2004 is gevolgd door overleg aan de hand van een op verzoek van appellant door Loyalis opgesteld compensatieplan. Bij brief van 22 december 2004 is betrokkene een compensatieplan van Loyalis aangeboden, inhoudende een koopsom ten bedrage van € 87.118,87, die zou leiden tot een maandelijkse uitkering van € 972,59 gedurende de FPU-periode, gevolgd door een levenslange maandelijkse uitkering van € 182,46 vanaf 1 februari 2008 ter gedeeltelijke compensatie van het pensioenverlies. Betrokkene heeft gemotiveerd te kennen gegeven dat met deze koopsompolis niet is voldaan aan de afspraken uit 1999. Namens hem is bij brief van 18 maart 2005 aan appellant verzocht om op juiste wijze uitvoering te geven aan de overeenkomst; daarbij is ook gevraagd om vanaf 1 februari 2004 wettelijke rente te vergoeden. Bij besluit van 1 juni 2005 heeft appellant deze verzoeken afgewezen, omdat volgens hem met de aangeboden koopsompolis een juiste uitvoering is gegeven aan de overeenkomst uit 1999. Het bezwaar is bij het bestreden besluit van 1 december 2005 ongegrond verklaard. In december 2005 en januari 2006 zijn aan betrokkene achtereenvolgens twee bedragen van bruto € 45.000,- uitbetaald.
1.3. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard voor zover het - kort samengevat - de FPU-aanvulling betreft. Voor zover het de compensatie van het pensioenverlies en de verschuldigdheid van de wettelijke rente betreft is het beroep gegrond verklaard met vernietiging van het bestreden besluit in zoverre en met bepalingen over griffierecht en proceskosten. Het college is opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
1.4. Bij uitspraak van 24 december 2009, 07/465 AW en LJN BK8777, heeft de Raad - met vernietiging van de aangevallen uitspraak in zoverre - het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard voor zover daarbij het bedrag van de FPU-aanvulling is gehandhaafd, en het bestreden besluit in zoverre vernietigd. De Raad heeft betrokkene een FPU-aanvulling toegekend van in totaal € 57.829,38 en bepalingen gegeven over proceskosten en griffierecht.
1.5. Het hoger beroep van het college is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de compensatie van het pensioenverlies en de verschuldigdheid van wettelijke rente.
2. Naar aanleiding van hetgeen partijen daarover in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.
3. De compensatie van het pensioenverlies
3.1. De tussen partijen gesloten overeenkomst bepaalt in punt 7: ‘Bovendien zal de TU Delft een compensatie voor het pensioenverlies tijdens de FPU-periode verstrekken, daarop neerkomende dat het pensioenverlies van 4 dienstjaren voor de helft wordt gecompenseerd. De daarvoor benodigde premie komt voor rekening van de TU Delft.’
3.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit meebrengt dat de helft van het verschil tussen het pensioen bij doorwerken tot de leeftijd van 65 jaar en bij FPU vanaf de leeftijd van 61 jaar gecompenseerd moet worden. Omdat de laatste jaren voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar meer pensioen opleveren dan eerdere jaren kon appellant niet volstaan met de inkoop van 2 pensioenjaren.
3.3. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat ruimschoots is voldaan aan de overeenkomst door een pensioenverlies vast te stellen behorende bij de gemiste opbouw gedurende 2 jaar over een jaarinkomen van € 77.806,94 minus een franchise van € 15.250,-, zonder rekening te houden met het daadwerkelijke pensioen-verlies dat betrokkene in zijn FPU-periode zou lijden. Appellant heeft ook zijn eerdere opvatting gehandhaafd dat partijen deze berekeningsmethode hebben afgesproken.
Betrokkene heeft zich achter het oordeel van de rechtbank geschaard.
3.4. Bij de uitleg van een overeenkomst zoals hier aan de orde komt het naar vaste rechtspraak (CRvB 22 mei 2008, LJN BD2813 en TAR 2008, 171) niet uitsluitend aan op de bewoordingen van hetgeen in de overeenkomst is bepaald, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
3.4.1. In de gedingstukken heeft de Raad geen aanwijzingen gevonden voor de door appellant meermalen genoemde afspraak met betrokkene over de door (Loyalis ten behoeve van) appellant feitelijk gehanteerde berekeningsmethode. De Raad volgt appellant dus niet in het bestaan van een dergelijke afspraak.
3.4.2. De onder de gedingstukken voorhanden zijnde Regeling Uittreden 55+ uit 1998 kent ook een pensioencompensatie voor de FPU-periode. Die pensioencompensatie bestond uit de inkoop van jaren als pensioengeldige diensttijd door de belanghebbende, waarvoor appellant de premie via een bedrag ineens voor zijn rekening neemt. De overeenkomst tussen appellant en betrokkene heeft een (heel) andere formulering voor de pensioencompensatie dan de Regeling Uittreden 55+, zodat - anders dan appellant meent - aan de berekeningswijze van pensioencompensatie ingevolge laatstgenoemde regeling voor betrokkene geen betekenis toekomt.
3.4.3. In aanmerking genomen dat het partijen ging om een compensatie voor het pensioenverlies van betrokkene tijdens de FPU-periode, ligt het in de rede dat met het daarna genoemde ‘pensioenverlies van 4 dienstjaren’ ook gedoeld is op het pensioenverlies in die FPU-periode en niet het pensioenverlies van 4 willekeurige dienstjaren. Het aanvullende deel van de eerste volzin, die ingeleid is met de woorden ‘daarop neerkomende’, beoogt naar het oordeel van de Raad met name de compensatie te beperken tot de helft van het gehele pensioenverlies in die 4 jaren.
3.4.4. Het vorenstaande leidt ertoe dat de Raad zich schaart achter het oordeel van de rechtbank dat de helft van het verschil tussen het pensioen bij doorwerken tot de leeftijd van 65 jaar en bij FPU vanaf de leeftijd van 61 jaar gecompenseerd moet worden en dat het hoger beroep van appellant in zoverre niet slaagt.
3.5. De toevoeging van de rechtbank dat de laatste jaren voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar meer pensioen opleveren geeft geen duidelijkheid over de wijze waarop het pensioenverlies vastgesteld dient te worden. Uit de door partijen in hoger beroep naar voren gebrachte stellingen blijkt van hun uiteenlopende opvattingen over de uitwerking hiervan. Aangezien de gedingstukken voldoende gegevens bevatten om het aan betrokkene toekomende bedrag redelijkerwijs te kunnen vaststellen, zal de Raad gelet op de lange duur van het geschil en het ontbreken van perspectief op een enigermate spoedige afwikkeling door partijen zelf, het geschil definitief beslechten door vast te stellen op welk bedrag betrokkene aanspraak had.
3.5.1. Daarbij neemt de Raad de feiten en de regelgeving ten tijde van het FPU-ontslag op 1 februari 2004 als uitgangspunt, aangezien appellant op dat tijdstip het besluit over de pensioencompensatie had behoren te nemen.
De Raad gaat uit van het pensioengevende jaarinkomen, zoals vermeld op de salarisspecificatie van januari 2004 ten bedrage van € 74.728,52 en een geschatte jaarlijkse indexering van de bezoldiging in de jaren tot en met 2008 van 2,37% per jaar. Ook voor de franchise is het bedrag over 2004 het uitgangspunt en is de indexering in de jaren tot en met 2008 geschat op 2,55% per jaar. Deze percentages zijn ontleend aan de gedingen 07/5581 en 07/5582, LJN BM1607 en LJN BM1609, waarin appellant eveneens partij is en waarin de Raad eveneens op 15 april 2010 uitspraak doet en zijn gebaseerd op de gemiddelde stijging van de bezoldiging, respectievelijk de franchise in de laatste 10 jaren.
De opbouwcomponent van de FPU (VUT) die aan het ouderdomspensioen wordt toegevoegd als de ambtenaar geen gebruik maakt van de FPU is eveneens in aanmerking genomen. Daarbij slaat de Raad acht op het desbetreffende bedrag van € 4.046,- dat vermeld is op het ABP pensioenoverzicht 2003 van betrokkene.
Voor het meetellen van eenmalige bonussen ziet de Raad geen aanleiding omdat de Raad dit niet schaart onder ‘pensioenverlies’.
Volledigheidshalve merkt de Raad op, dat geen rekening is gehouden met het zogenoemde Vendrik-effect, omdat de desbetreffende regelgeving in januari 2004 nog niet bestond en omdat die regelgeving niet tot een verhoging van het ouderdomspensioen leidt wanneer de ambtenaar doorwerkt tot de leeftijd van 65 jaar.
3.5.2. De uitkomst van deze berekening leidt tot een pensioenverlies per jaar van € 4.228,52, zijnde € 2.039,52 meer dan de € 2.189,- waarvan appellant in het bestreden besluit is uitgegaan.
3.6. Voor de wijze van berekening van het totaalbedrag aan compensatie sluit de Raad zich aan bij de berekeningswijze van appellant waarmee deze tot € 45.625,- is gekomen. De Raad ziet geen aanleiding voor een verdergaande indexering van het berekende jaarlijkse pensioenverlies dan hierbij door appellant was toegepast, omdat betrokkene in hoger beroep over de indexatie geen grieven tegen de uitspraak van de rechtbank naar voren heeft gebracht, hoewel betrokkene door de aangevallen uitspraak in zoverre niet in het gelijk was gesteld.
3.7. De Raad stelt het bedrag van de aan betrokkene toekomende pensioencompensatie aldus vast op (het netto equivalent van) € 86.811,51. Bij het bestreden besluit is dus niet alleen een onjuiste berekeningsmethode gehanteerd, maar is de koopsom voor het te compenseren pensioenverlies ten onrechte gehandhaafd op het bedrag van € 45.625,-.
Ter voorlichting van partijen merkt de Raad op dat appellant het aan betrokkene toegekende afrondingsvoordeel bij het reeds uitbetaalde bedrag van € 87.118,87, zijnde € 2.881,13 in mindering mag brengen op de nabetaling die op grond van deze uitspraak moet plaatsvinden. De Raad gaat er ten slotte van uit dat appellant, nadat hij het totale na te betalen bedrag heeft vastgesteld, betrokkene een korte periode in de gelegenheid stelt om zijn keuze te bepalen over de wijze van uitbetaling, bruto aan een pensioenverzekeraar of netto aan betrokkene zelf.
4. De wettelijke rente
4.1. In de aangevallen uitspraak is vastgesteld dat bij het bestreden besluit geen beslissing is genomen over de vergoeding van wettelijke rente en is geoordeeld dat appellant wettelijke rente had behoren te vergoeden. Het bestreden besluit is in zoverre vernietigd en appellant is opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen.
4.2. Appellant is ook in hoger beroep van opvatting dat hij geen wettelijke rente verschuldigd is, omdat betrokkene pas bij brief van 5 november 2005 uitsluitsel heeft gegeven over de wijze waarop hij uitbetaling wenste.
Betrokkene meent dat appellant vanaf 1 februari 2004 wettelijke rente verschuldigd is omdat appellant toen al verplicht was hem de compensatie uit te betalen.
4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant in verzuim is geweest met het nemen van een besluit over de compensatie en de uitbetaling daarvan en dat hij betrokkene dus een vergoeding van wettelijke rente had behoren toe te wijzen. Nu de rechtbank geen (duidelijk) oordeel heeft gegeven over de ingangsdatum van de wettelijke rente acht de Raad het geraden om ook hierover uitspraak te doen.
4.4. De gedingstukken laten zien dat beide partijen in 2004 langdurig weinig activiteit hebben getoond inzake het afwikkelen van de overeenkomst waaronder de compensatie. Voorts heeft betrokkene gedurende lange tijd minstgenomen geen volstrekte duidelijkheid gegeven over de uitbetaling van een eenmalig (netto)bedrag aan hemzelf, dan wel de betaling van een brutobedrag aan een pensioenverzekeraar ten behoeve van een koopsompolis. Niet uit het oog mag worden verloren dat het fiscaal gunstiger is om het bedrag uit te betalen in de vorm van een door appellant in een koopsompolis te storten bedrag, zodat een rauwelijkse uitbetaling van het netto equivalent aan betrokkene niet in de rede lag. In zoverre ziet de Raad onvoldoende aanleiding voor de aanwezigheid van verzuim van (alleen) appellant vanaf 1 februari 2004.
4.5. Gelet op de onder 1.2 bedoelde correspondentie, waarvan in het bijzonder de brief van betrokkene van 18 maart 2005, kon appellant bij de ontvangst van de laatste brief weten dat betrokkene prompte uitbetaling aan hemzelf wenste. Het ontbreken van overeenstemming tussen partijen over de hoogte van het bedrag was geen reden om het totaalbedrag waarop betrokkene volgens appellant aanspraak had niet aan hem uit te keren. Bij het bestreden besluit had appellant dus behoren te beslissen dat hij betrokkene vanaf 1 april 2005 aanspraak toekende op wettelijke rente over het ten onrechte niet uitbetaalde bruto bedrag van de FPU-aanvulling en de pensioencompensatie.
4.6. Inzake het bedrag van € 87.118,87 zal deze wettelijke rente berekend moeten worden tot 22 december 2005. Dat een deel van dit bedrag pas in januari 2006 is betaald kan buiten beschouwing blijven, omdat deze gespreide betaling op verzoek van betrokkene is gebeurd.
Over het ingevolge de uitspraak van de Raad van 24 december 2009 en deze uitspraak na te betalen bruto bedrag zal de wettelijke rente berekend dienen te worden tot aan de dag van algehele voldoening. Hierbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag, waarover de wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.
5. Al het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak - voor zover door appellant aangevochten - met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking komt. Omdat de Raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het bedrag van de pensioencompensatie zal vaststellen en appellant over de wettelijke rente een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad, zal de Raad de opdracht van de rechtbank vernietigen.
6. In het vorenstaande ziet de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 vanPro de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,- aan kosten van rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij opdracht is gegeven een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van die uitspraak;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover door appellant aangevochten voor het overige;
Kent aan betrokkene een compensatie van het pensioenverlies toe van in totaal € 86.811,51 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit met betrekking tot de compensatie van het pensioenverlies;
Draagt appellant op met inachtneming van deze uitspraak van de Raad een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen de weigering wettelijke rente te vergoeden;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van M. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2010.