ECLI:NL:CRVB:2010:BM2264

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-6435 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
  • C.W.J. Schoor
  • A.A.H. Schifferstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 75b WAOArt. 75a WAOArt. 7:662 BWArt. 1.1 OvernameovereenkomstArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging overgang van onderneming en eigenrisicodragerschap voor WAO-uitkering na faillissement

De zaak betreft een hoger beroep van appellante tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam over de toerekening van een WAO-uitkering. Het Uwv had besloten dat appellante als eigenrisicodrager vanaf 1 juli 2004 de WAO-uitkering van een werknemer van de failliete rechtsvoorganger moet betalen. Appellante betwistte de overgang van onderneming en stelde niet verantwoordelijk te zijn voor de uitkering.

De rechtbank oordeelde dat er sprake was van overgang van onderneming, mede op basis van een overnameovereenkomst en feitelijke omstandigheden zoals het voortzetten van activiteiten en het overnemen van handelsnaamrechten. De Raad onderschrijft dat een kennelijke verschrijving in het toerekeningsbesluit niet tot ongeldig besluit leidt en dat fouten in de bezwaarprocedure kunnen worden hersteld.

De Raad bevestigt dat overgang van onderneming ook kan plaatsvinden bij voortzetting in afgeslankte vorm en dat het niet overnemen van alle werknemers of handelsnaam geen doorslaggevende rol speelt. De Raad wijst verder op eerdere jurisprudentie en bevestigt dat appellante als verkrijgende werkgever het risico van de WAO-uitkering draagt. De aangevallen uitspraak wordt met verbetering van gronden bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante als eigenrisicodrager verantwoordelijk is voor de WAO-uitkering wegens overgang van onderneming.

Uitspraak

07/6435 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 oktober 2007, 07/1144 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J. Witvoet, advocaat te De Bilt, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2010. Voor appellante is verschenen [naam directeur], directeur, bijgestaan door mr. Witvoet voornoemd. Het Uwv heeft zich, zoals tevoren was bericht, niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 17 juli 2003 heeft het Uwv aan [naam werknemer A], werknemer van [naam bedrijf B], destijds gevestigd te Amsterdam (hierna: de werknemer), met ingang van 16 december 2002 een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsonge-schiktheidsverzekering (WAO). Bij brief van eveneens 17 juli 2003 heeft het Uwv een afschrift van dat besluit aan [naam bedrijf B] verstrekt. [naam bedrijf B] is op 18 november 2003 failliet verklaard.
1.2. Bij besluit van 6 oktober 2006 (hierna: het toerekeningsbesluit) heeft het Uwv aan “[appellante B.V.]” meegedeeld dat zij als eigenrisicodrager vanaf 1 juli 2004 de WAO-uitkering van de werknemer moet betalen. Daarbij is het Uwv ervan uitgegaan dat de rechtsvoorgangster van appellante, genaamd “[naam bedsrijf C]” volledig is ontstaan uit het failliete bedrijf [naam bedrijf B] [naam bedsrijf C] is per 1 juli 2004 eigenrisicodrager geworden voor de WAO.
1.3. Namens appellante is tegen het toerekeningsbesluit bezwaar gemaakt. Hierbij is bestreden dat zij het failliete bedrijf heeft overgenomen. Appellante stelt niet verantwoordelijk te zijn voor de betaling van een WAO-uitkering van een voormalige werknemer van [naam bedrijf B]
1.4. Bij besluit van 15 februari 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard, omdat er sprake is van overgang van een onderneming naar appellante als verkrijgende werkgeefster, als bedoeld in artikel 75b, tweede lid, van de WAO.
2.1. Namens appellante is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Daarbij is aangevoerd dat het Uwv de verkeerde vennootschap heeft aangesproken. Voorts is wederom aangevoerd dat er geen sprake is van overgang van onderneming.
2.2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2.3. De rechtbank heeft overwogen dat [naam bedrijf B] en [appellante B.V.] op 1 december 2003 een overnameovereenkomst hebben gesloten. De tekst van die overeenkomst is grotendeels in de aangevallen uitspraak opgenomen. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit het zich onder de gedingstukken bevindende uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 29 maart 2007 blijkt dat [appellante B.V.] onder meer handelt/handelde onder de naam [naam bedsrijf C], gevestigd te [vestigingsplaats]. Bij een interne reorganisatie is [naam bedsrijf C] opgegaan in appellante. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv niet de verkeerde rechtspersoon heeft aangesproken. Het toerekeningsbesluit is weliswaar gericht aan [appellante B.V.], wat niet de volledige naam is van appellante, maar dit betreft een kennelijke verschrijving.
2.4. Ten aanzien van de grief van appellante dat er geen sprake is van overgang van onderneming heeft de rechtbank overwogen dat in een aan [naam bedsrijf C] gezonden besluit van 27 mei 2004, dat betrekking heeft op de gedifferentieerde WAO-premie over het jaar 2004, met zoveel woorden is opgenomen dat sprake is van overgang van onderneming. Nu [naam bedsrijf C] tegen dat besluit niet is opgekomen staat, aldus de rechtbank, de overgang van onderneming tussen partijen vast.
2.5. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat er veel omstandigheden zijn die erop wijzen dat een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft plaatsgevonden. Het beslissende criterium hierbij is of de identiteit van het bedrijf bewaard blijft, waarbij met alle feitelijke omstandigheden rekening moet worden gehouden, zoals de aard van de betrokken onderneming of vestiging, het al dan niet overdragen van de materiële activa zoals gebouwen en roerende zaken, de waarde van de immateriële activa op het tijdstip van de overdracht, het al dan niet overnemen van vrijwel al het personeel, het al dan niet overdragen van de klantenkring, de mate waarin de voor en na de overdracht verrichte activiteiten met elkaar overeenkomen en de duur van een eventuele onderbreking van die activiteiten. De rechtbank heeft geoordeeld dat, alle omstandigheden in onderling verband bezien, sprake is van overgang van onderneming. Omdat de werknemer op de eerste dag van zijn arbeidsongeschiktheid in dienst was van de onderneming die appellante heeft overgenomen, dient appellante op grond van artikel 75b, tweede en derde lid, van de WAO het risico van de betaling van de WAO-uitkering als bedoeld in artikel 75a van de WAO zelf te dragen. Het beroep van appellante op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur maakt dit niet anders, nu deze pas een rol kunnen spelen in de fase van het verhaal van de uitkering op de eigenrisicodrager. De rechtbank heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van de Raad van 10 oktober 2006 (LJN AZ0127). In die uitspraak is ook een onderzoeksplicht neergelegd voor de werkgever bij het aanvragen van het eigen risicodragerschap.
3. De Raad oordeelt als volgt.
3.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat er bij de adressering van het toerekeningsbesluit een kennelijke verschrijving heeft plaatsgevonden. Dit maakt het toerekeningsbesluit niet ongeldig. De Raad wijst erop dat het karakter van de bezwaarprocedure meebrengt dat daarin fouten van het bestuursorgaan kunnen worden hersteld. Het bezwaar is ingediend door de directeur van appellante, die het toerekeningsbesluit dus wel heeft ontvangen en appellante daarbij kennelijk als belanghebbende beschouwde. Het in hoger beroep aangevoerde argument dat er een procesfase is gemist doordat de procedure tegen de holding is gestart en tijdens de bezwaarschriftprocedure op de dochtervennootschap is voortgezet gaat niet op. Appellante heeft naar aanleiding van het toerekeningsbesluit immers de bezwaar-, beroeps- en hoger beroepsprocedure doorlopen.
3.2. De Raad onderschrijft niet het oordeel van de rechtbank dat door het rechtens onaantastbare premiebesluit van 27 mei 2004 in de onderhavige procedure reeds is komen vast te staan dat sprake is van overgang van onderneming. Aan appellante kan niet worden tegengeworpen dat haar rechtsvoorgangster [naam bedsrijf C] geen bezwaar heeft gemaakt tegen dat besluit. Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 21 februari 2008 (LJN BC5143) kan de overgang van onderneming alsnog betwist worden indien tegen een eerder besluit daarover geen bezwaar is gemaakt omdat het geen financiële gevolgen had. In het premiebesluit van 27 mei 2004, dat betrekking heeft op het premiejaar 2004, is aangegeven dat [naam bedsrijf C] wordt aangemerkt als een kleine werkgever en dat daarom voor haar het vaste premiepercentage geldt dat van toepassing is op de sector waarbij zij is aangesloten. De opmerking over de overgang van onderneming heeft hierop geen invloed. Hieruit volgt dat appellante de door het Uwv aangenomen overgang van onderneming in het kader van het onderhavige geschil ter discussie kan stellen. Anders dan waarvan de rechtbank met de vermelding in overweging 2.4.3. van de uitspraak van de Raad van 14 september 2006 (LJN AY8698) kennelijk uitging, is deze uitspraak van de Raad, die zag op het premiejaar 2002, om reden van een gewijzigd systeem van premievaststelling voor 2004 niet meer van betekenis voor laatstgenoemd premiejaar.
3.3. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat, gezien alle feiten en omstandigheden die kenmerkend zijn voor de overgang, er in dit geval sprake is van overgang van onderneming. Hiervoor is niet vereist dat alle bedrijfsactiviteiten worden voortgezet met hetzelfde personeelsbestand. De grond dat van de 19 werknemers die bij het uitspreken van het faillissement bij [naam bedrijf B.] in dienst waren, er uiteindelijk maar 6 bij [naam bedsrijf C] zijn gaan werken, kan in dat verband geen doel treffen. Zoals de Raad vaker heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 28 juli 2005, LJN AU1201, kan van overgang van onderneming na een faillissement ook sprake zijn indien de onderneming in afgeslankte vorm wordt voortgezet. Ook de grond dat niet van dezelfde handelsnaam gebruik is gemaakt, kan geen doel treffen. Uit artikel 1.1, onder a, van de onder 2.3 genoemde Overnameovereenkomst blijkt dat appellante het recht op het voeren van de handelsnaam heeft overgenomen. Hieraan doet niet af dat appellante ervoor heeft gekozen om feitelijk geen gebruik te maken van dat recht.
3.4. Ook in hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De aangevallen uitspraak dient derhalve met verbetering van gronden te worden bevestigd.
4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2010.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) D.E.P.M. Bary.
GdJ