ECLI:NL:CRVB:2010:BM2055
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.J.M. Stevens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van onvoldoende oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1941 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in 2008 om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer met een periodieke uitkering vanwege gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan haar oorlogservaringen. Verweerster wees de aanvraag in januari 2009 af omdat niet was aangetoond dat zij direct getroffen was door oorlogsgeweld zoals bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze afwijzing. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat appellante zich weinig herinnert van de oorlogsjaren. Hoewel zij zich herinnert dat Japanners haar woning doorzochten op radiozendapparatuur, was deze huiszoeking niet persoonlijk tegen haar gericht en ging niet gepaard met excessief geweld. Dit voldoet niet aan de criteria van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld.
De Raad benadrukt dat de erkenning als burger-oorlogsslachtoffer gebonden is aan specifieke wettelijke voorwaarden en dat psychische klachten die verband houden met de oorlogservaringen van haar ouders niet in aanmerking kunnen worden genomen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van erkenning als burger-oorlogsslachtoffer blijft in stand.