ECLI:NL:CRVB:2010:BM0068

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-2259 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV over weigering WIA-uitkering wegens juiste vaststelling belastbaarheid

Appellant is sinds 22 februari 2005 arbeidsongeschikt als gevolg van een postwhiplash syndroom en mentale problemen na een ongeval. Het UWV stelde op 15 februari 2008 vast dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Dit besluit werd bevestigd bij bezwaar op 21 juli 2008, waarbij rekening werd gehouden met psychische en fysieke beperkingen.

Appellant voerde aan dat zijn beperkingen zwaarder waren dan vastgesteld, onderbouwd met een verklaring van een psychiater. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde echter dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) voldoende rekening hield met zijn psychische problemen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en vond de medische grondslag deugdelijk.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar aanvullend arbeidskundig onderzoek bevestigde de geschiktheid van de functies voor appellant. De Raad volgde het oordeel van de rechtbank dat de belastbaarheid juist was vastgesteld en dat de medische beperkingen niet zwaarder waren dan aangenomen. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak, maar liet de rechtsgevolgen in stand en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het bestreden besluit en de uitspraak worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

09/2259 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 maart 2009, 08/3426 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 31 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.P. Buise, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een arbeidskundige rapportage in geding gebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2010, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is op 22 februari 2005 in verband met een postwhiplash syndroom uitgevallen voor zijn werkzaamheden als elektromonteur.
1.2. Het Uwv heeft bij besluit van 15 februari 2008 vastgesteld dat er voor appellant ingaande 2 februari 2008 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 35%. Dit besluit berust op het standpunt van het Uwv dat appellant in verband met mentale problemen en aspecifieke klachten ten gevolge van een ongeval beperkt is in zijn belastbaarheid en ongeschikt is te achten voor de maatmanfunctie maar dat hij in staat is een vijftal voor hem geschikt geachte functies te verrichten. Het verlies aan verdiencapaciteit is door de arbeidsdeskundige berekend op 30,8%.
2. Bij besluit op bezwaar van 21 juli 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 februari 2008 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt het rapport van de bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink van 18 juli 2008 ten grondslag, waarin deze heeft geconcludeerd dat bij de vaststelling van de functionele mogelijkheden van appellant voldoende rekening is gehouden met zijn geringe frustratietolerantie en zijn problemen met agressieregulatie.
3.1.1. Appellant heeft in beroep betoogd dat het Uwv zijn beperkingen niet juist heeft vastgesteld. Onder verwijzing naar een op 8 september 2008 gedateerde verklaring van de psychiater dr. J. Schetters van het Dok wordt door appellant aangevoerd dat hij ten tijde in geding ten gevolge van een ‘ernstig geagiteerd depressief toestandsbeeld geluxeerd door pijnklachten en lichamelijke beperkingen na een auto-ongeval’ zodanig beperkt was in zijn belastbaarheid dat hij niet in staat was arbeid te verrichten.
3.1.2. De bezwaarverzekeringsarts Weegink heeft op 27 november 2008 gerapporteerd dat in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) voldoende rekening is gehouden met het agressief probleemgedrag van appellant en dat niet is aangetoond dat er ten tijde in geding bij appellant sprake was van een onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren.
3.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een deugdelijke medische grondslag. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn stelling dat het Uwv zijn psychische klachten onvoldoende heeft meegewogen en erkend. De rechtbank heeft zich kunnen vinden in de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts Weegink zoals neergelegd in diens rapporten van 18 juli 2008 en 27 november 2008. De rechtbank acht verder niet aangetoond dat appellant ten aanzien van het functioneel gebruik van zijn linker hand en langdurig gebogen werken beperkt is in zijn belastbaarheid. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien een deskundige te benoemen.
4.1. Appellant bestrijdt in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak. Daartoe heeft appellant zijn in beroep aangevoerde gronden herhaald.
4.2. Het Uwv heeft in de loop van de procedure in hoger beroep opnieuw arbeidskundig onderzoek verricht. De door het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) bij de geselecteerde functies gegenereerde signaleringen zijn door de bezwaararbeidsdeskundige H.C. Boersma aanvullend toegelicht bij rapport van 30 juni 2009. Boersma heeft de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt geacht voor appellant.
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1. De Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep ter zake van de medische grondslag heeft aangevoerd geen grond gevonden om de rechtbank niet te volgen in haar oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellant juist heeft vastgesteld. Het Uwv heeft bij de vaststelling van appellants belastbaarheid rekening gehouden met het geagiteerde toestandsbeeld van appellant en met de agressieve ontladingen. In verband hiermee zijn door het Uwv beperkingen aangenomen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren van appellant. De verzekeringsarts heeft bij eigen onderzoek naar de psyche geen aanwijzingen gevonden voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek. De bezwaarverzekeringsarts Weegink heeft het standpunt van de verzekeringsarts onderschreven. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat Weegink bij voornoemde rapporten van 18 juli 2008 en 27 november 2008 genoegzaam heeft gemotiveerd dat uit het behandelplan en de verklaring van de psychiater Schetters niet volgt dat appellant op psychisch gebied zwaarder dan wel anders beperkt is te achten dan is vastgesteld in de FML. De Raad is voorts niet gebleken dat het Uwv lichamelijke beperkingen van appellant over het hoofd heeft gezien. De door appellant geclaimde lichamelijke beperkingen konden bij onderzoek door de verzekeringsarts niet worden vastgesteld. De verzekeringsarts heeft niettemin enige beperkingen geformuleerd ten aanzien van dynamische handelingen en statische houdingen. Hiermee is appellant niet tekort gedaan, volgens Weegink. Blijkens diens rapport van 18 juli 2008 worden de geclaimde beperkingen niet ondersteund door de aanwezige onderzoeksbevindingen omdat noch de huisarts noch de neuroloog enige afwijkingen aan de bovenste extremiteiten en de rug hebben beschreven. De Raad acht dit standpunt niet onjuist. Appellant heeft in hoger beroep geen objectieve medische gegevens overgelegd op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat hij ten tijde van de datum in geding meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen.
5.2. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. De Raad stelt vast dat de geschiktheid van de functie ‘samensteller metaalwaren’ niet eerder dan in hoger beroep bij rapport van 30 juni 2009 van de bezwaararbeidsdeskundige Boersma van een inzichtelijke motivering is voorzien.
5.3. Uit hetgeen hiervoor onder 5.1 en 5.2. is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen te worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.
6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2010.
(get.) C.P.M. van de Kerkhof.
(get.) A.E. van Rooij.
JL