AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Weigering toekenning ontslagvergoeding na keuze medewerker voor vertrek uit gemeentelijke organisatie
Appellant was sinds 1999 in dienst bij een gemeente en gaf leiding aan het projectenbureau. In 2006 verviel zijn functie door een reorganisatie. Het college stelde een regeling vast voor ontslagvergoedingen bij het ontbreken van passende functies. Appellant gaf in het kader van een plaatsingsprocedure aan zich niet langer beschikbaar te stellen voor een functie en wilde de gemeente verlaten om voor zichzelf te beginnen.
Appellant verzocht begin 2007 om een ontslagvergoeding, maar het college weigerde dit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat appellant geen recht had op de vergoeding omdat hij zelf had gekozen de gemeente te verlaten en er wel passende functies waren aangeboden.
Verder was er geen sprake van een uitdrukkelijke toezegging door het college omtrent de vergoeding. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd afgewezen omdat de situaties van collega’s niet vergelijkbaar waren. De Raad wees ook een verzoek tot vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het college om appellant een ontslagvergoeding toe te kennen.
Uitspraak
08/4990 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 2 juli 2008, 07/2067 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Boarnsterhim (hierna: college)
Datum uitspraak: 18 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2010. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M. Burger, advocaat te ’s-Gravenhage. Op verzoek van appellant is ter zitting verschenen en als getuige gehoord [naam getuige], wonende te [woonplaats], ten tijde in geding bij de gemeente Boarnsterhim werkzaam als gemeentesecretaris/algemeen directeur.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant was sinds 1 oktober 1999 in dienst bij de [naam gemeente]. Laatstelijk gaf appellant leiding aan het projectenbureau en trad hij op als projectleider. Als gevolg van een reorganisatie in 2006 is de functie van appellant komen te vervallen.
1.2. Met het oog op situaties waarin de gemeente belang heeft bij het vertrek van een individuele medewerker, heeft het college op 14 februari 2006 de Regeling ter bevordering van de externe mobiliteit (hierna: Regeling) vastgesteld. Volgens de Regeling kan het college onder meer aan de medewerker, wiens functie is komen te vervallen en voor wie binnen het functieboek geen passende of geschikte functie beschikbaar is, een toelage van 25% van het bruto jaarsalaris (hierna: ontslagvergoeding) toekennen indien die medewerker aangeeft bereid te zijn om op korte termijn ontslag op eigen verzoek te nemen. Bij de vaststelling van de Regeling heeft het college de bevoegdheid tot voorbereidende onderhandelingen gemandateerd aan het managementteam.
1.3. In het kader van de te volgen plaatsingsprocedure heeft appellant zijn belangstelling bekendgemaakt voor de functie van afdelingsmanager. Bij brief van 1 juni 2006 heeft appellant aan het college bekendgemaakt zich niet langer beschikbaar te stellen voor die functie omdat hij zich wilde richten op mogelijkheden buiten de gemeentelijke organisatie. Bij besluit van 12 juni 2006 heeft het college appellant per 1 juli 2006 tijdelijk bovenformatief geplaatst. Bij brief van 29 september 2006 heeft appellant het college verzocht hem met ingang van 1 december 2006 ontslag te verlenen in verband met het aanvaarden van een functie elders. Bij besluit van 31 oktober 2006 heeft het college dit ontslagverzoek ingewilligd. Tegen dat besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
1.4. Begin 2007 heeft appellant, onder verwijzing naar de in een memo van 6 november 2006 vastgelegde afspraak die daarover met de gemeentesecretaris/algemeen directeur, [naam getuige], zou zijn gemaakt, het college verzocht hem de ontslag-vergoeding als bedoeld in de Regeling toe te kennen. Bij besluit van 27 maart 2007 heeft het college dit geweigerd. Dit besluit is bij het bestreden besluit van 25 juli 2007, na door appellant gemaakt bezwaar, gehandhaafd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe, kort weergegeven, overwogen dat niet gebleken is dat voor appellant geen andere of geschikte passende functie beschikbaar was, dat niet gebleken is van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging van de zijde van het college en dat appellants beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.
3.1. Alvorens over te gaan tot de beoordeling van het hoger beroep van appellant zal de Raad ingaan op het in beroep en hoger beroep alsnog gevoerde verweer van het college, dat het door appellant begin 2007 gedane verzoek moet worden opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 31 oktober 2006. De Raad stelt vast dat appellant zijn verzoek bij het college heeft ingediend nadat het ontslagbesluit onherroepelijk was geworden. Nu appellant evenwel bij zijn ontslagverzoek niet om de ontslagvergoeding heeft gevraagd of daarop zelfs maar heeft gewezen en in het besluit van 31 oktober 2006 daarover ook niet uitdrukkelijk een beslissing is genomen, is naar het oordeel van de Raad geen sprake van een weigering terug te komen van een eerder onaantastbaar geworden besluit. Het college heeft appellants verzoek van begin 2007 dan ook terecht inhoudelijk beoordeeld en de rechtbank heeft het bestreden besluit terecht niet terughoudend getoetst.
3.2.1. Allereerst bespreekt de Raad de vraag of [naam getuige] aan appellant uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan, waaraan appellant het vertrouwen kon ontlenen dat hem de ontslagvergoeding zou worden toegekend. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat daarvan geen sprake is, omdat slechts een voorstel is gedaan waarop geen voor appellant positieve besluitvorming is gevolgd.
3.2.2. Bij de beantwoording van de vraag stelt de Raad met de rechtbank voorop dat in de Regeling uitdrukkelijk is neergelegd dat met individuele medewerkers te treffen regelingen ter besluitvorming aan het college moeten worden voorgelegd.
3.2.3. Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen, is ook de Raad van oordeel dat de vraag ontkennend moet worden beantwoord. Daartoe neemt hij mede in aanmerking dat aan het slot van de memo van 6 november 2006 uitdrukkelijk is vermeld dat invulling van de afspraak via een zogenaamde vaststellingsovereenkomst afzonderlijk plaatsvindt. Mede in het licht van hetgeen [naam getuige] ter zitting van de Raad daarover nog heeft verklaard, acht de Raad het genoegzaam aannemelijk geworden dat [naam getuige] appellant er in het gesprek, waarvan de memo van 6 november 2006 de weerslag vormt, op heeft gewezen dat de uitkomst nog afhankelijk was van definitieve besluitvorming door het college. Appellant heeft niet ontkend dat hij dat wist, maar hij ging er daarbij van uit dat het slechts een formaliteit betrof. De consequenties van die laatste gevolgtrekking dienen echter naar het oordeel van de Raad voor appellants eigen rekening te komen.
3.3. Wat betreft het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat voor appellant geen andere of geschikte passende functie beschikbaar was, overweegt de Raad dat appellant zelf de keuze heeft gemaakt zich in het kader van de plaatsingsprocedure niet langer beschikbaar te stellen voor de functie van afdelingsmanager. Verder laten de stukken zien dat vanaf medio juni 2006 tussen appellant en het management verscheidene gesprekken zijn gevoerd over appellants toekomst. In dat kader is door dit management ook de mogelijkheid van plaatsing als projectleider genoemd. Appellant heeft echter steeds aangegeven de gemeente te willen verlaten en voor zichzelf te willen beginnen, waarna de gesprekken op zijn verzoek uitsluitend nog waren gericht op het zoeken naar mogelijkheden buiten de gemeentelijke organisatie. Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van de Raad nu niet aan het college worden tegengeworpen dat geen andere geschikte of passende functie beschikbaar was, noch dat zodanige functie niet daadwerkelijk aan appellant is aangeboden.
3.4. Wat betreft appellants beroep op het gelijkheidsbeginsel onder verwijzing naar een drietal gevallen van collega’s, overweegt de Raad dat het college ten aanzien van het eerste geval heeft aangegeven dat, anders dan bij appellant, geen passende of geschikte functie voor de betrokken ambtenaar beschikbaar was. In het tweede geval was een bezoldigingskwestie voor het college de doorslaggevende reden om in te stemmen met een ontslagvergoeding en in het derde door appellant genoemde geval heeft het college uitdrukkelijk weersproken dat aan de desbetreffende medewerker een premie van 25% van zijn jaarsalaris is toegekend. De Raad heeft geen reden de juistheid van het door het college gevoerde verweer in twijfel te trekken en is van oordeel dat gegeven die verschillen niet van met appellants situatie vergelijkbare gevallen kan worden gesproken.
4. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2010.