ECLI:NL:CRVB:2010:BL9463
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- R. Kooper
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening kinderbijslag wegens niet-ingezetenschap op zeiljacht zonder Nederlandse thuishaven
Appellante vertrok in maart 1998 met haar gezin op een zeewaardig zeiljacht uit Nederland en vestigde zich pas in juni 2007 weer in Nederland. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) herzag in 2006 het recht op kinderbijslag en verklaarde dat appellante vanaf het tweede kwartaal 1998 niet meer verzekerd was op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De kern van het geschil was of appellante in de periode in Nederland woonde en als ingezetene verzekerd was. De Raad oordeelt dat het zeiljacht geen Nederlandse thuishaven had, ondanks het bezit van een Nederlandse zeebrief, en dat de formele registratie niet leidt tot ingezetenschap van de bemanning.
Verder concludeert de Raad dat appellante geen duurzame persoonlijke band met Nederland had, gezien het ontbreken van een vaste woning, werk of sociale bindingen. Ook het tijdelijk verblijf in Nederland in 2003 en het onderwijs van de kinderen daar zijn onvoldoende om ingezetenschap aan te nemen. De SVB was niet op de hoogte van het vertrek van appellante in 1998 vanwege het niet nakomen van de inlichtingenplicht. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op kinderbijslag omdat zij niet als ingezetene kan worden beschouwd.