Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8089

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4446 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens vervallen procesbelang bij WAO-uitkeringsherziening

Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV waarbij zijn WAO-uitkering per 26 september 2005 werd herzien van 80-100% naar 45-55%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.

Tijdens de procedure bleek het onderzoek niet volledig, waarna deskundigen werden benoemd en aanvullend onderzoek plaatsvond. Uiteindelijk heeft het UWV op 12 november 2009 het oorspronkelijke besluit ingetrokken en de WAO-uitkering ongewijzigd gelaten op 80-100% arbeidsongeschiktheid.

Gezien deze wijziging en het ontbreken van een verzoek om schadevergoeding acht de Raad het procesbelang van appellant vervallen. Daarom verklaart de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk, veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens vervallen procesbelang na intrekking van het bestreden besluit door het UWV.

Uitspraak

06/4446 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 juni 2006, 05/8822 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Bij besluit van 27 juli 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 26 september 2005 herzien van de klasse 80 tot 100% naar de klasse 45 tot 55%.
Namens appellant heeft mr. E.J.W.F. Deen, advocaat te ’s-Gravenhage, tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 16 november 2005 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Na de behandeling van het geding ter zitting op 25 januari 2008 van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.
De Raad heeft psychiater prof.dr. H.J.C. van Marle en cardioloog dr. G.A. Somsen benoemd als deskundigen voor het instellen van een onderzoek. Deze deskundigen hebben een schriftelijk verslag van hun onderzoek, gedateerd 28 mei 2008 en 4 september 2009, aan de Raad uitgebracht, waarop vervolgens door beide partijen
is gereageerd.
Het Uwv heeft bij brief (met bijlagen) van 12 november 2009 de Raad meegedeeld dat het bestreden besluit niet langer wordt gehandhaafd en dat volledig tegemoet wordt gekomen aan de bezwaren van appellant.
Dit heeft het Uwv bij een nieuw besluit op bezwaar, gedateerd 12 november 2009, aan appellant meegedeeld. Hierbij is bepaald dat de WAO-uitkering met ingang van 26 september 2005 ongewijzigd berekend blijft naar de klasse 80 tot 100%.
Namens appellant heeft mr. Deen, voornoemd, de Raad bij brief van 27 november 2009 meegedeeld dat het hoger beroep geen inhoudelijke behandeling meer behoeft en is verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Met het besluit van 12 november 2009 heeft het Uwv te kennen gegeven zijn oorspronkelijke ingenomen standpunt niet langer te handhaven en de WAO-uitkering van appellant op en na 26 september 2005 ongewijzigd te berekenen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %. Naar het oordeel van de Raad wordt hiermee, gelet ook op de inhoud van de brief van 27 november 2009 van appellants gemachtigde, geheel aan de grieven van appellant tegemoet gekomen.
1.2. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, volgt dat in zo’n geval belang bij een beoordeling van het bestreden besluit in principe is komen te vervallen, tenzij van zo’n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
1.3. Nu een dergelijk verzoek niet is gedaan, is naar het oordeel van de Raad appellants procesbelang bij beoordeling van het bestreden besluit komen te vervallen. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
2. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep, welke kosten worden begroot op € 644,--, respectievelijk € 644,-- en € 18,-- aan reiskosten, in totaal
€ 1.306,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Rechtdoende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.306,--;
Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 142,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2010.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
EK