ECLI:NL:CRVB:2010:BL7981
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- R. Kooper
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Geen dienstbetrekking maar gezamenlijk ondernemerschap tussen appellante en betrokkenen
Appellante hield zich bezig met handel in effecten en verwante activiteiten. Het UWV kwalificeerde de arbeidsverhoudingen van vijf betrokkenen tot appellante als dienstbetrekkingen, wat verzekeringsplicht en premiebetaling tot gevolg had. Het UWV legde correctienota's op over de jaren 2000-2004 en verklaarde bezwaren ongegrond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar in hoger beroep bestreed appellante dit oordeel. Zij stelde dat de vereisten van ondergeschiktheid en vaste beloning ontbraken en wees op een verliesregeling die risico's voor betrokkenen inhield. Ook betwistte zij dat alleen zij correcties opgelegd kreeg.
De Raad stelde vast dat de betrokkenen via hun eigen bedrijven deelnamen in een vennootschap onder firma met appellante en haar zusterbedrijven, gericht op gezamenlijk ondernemen. De VOF-overeenkomsten voorzagen in een primair winstrecht en een verliesregeling, waardoor betrokkenen financieel risico liepen. De Raad concludeerde dat er geen gezagsverhouding was, maar een samenwerking met gezamenlijke ondernemerschap.
Daarmee konden de premiecorrecties niet worden gehandhaafd. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, herroept de eerdere besluiten en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De premiecorrecties opgelegd aan appellante worden vernietigd wegens ontbreken van een dienstbetrekking.