AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij geschil vaste aanstelling ambtenaar
Betrokkene was aanvankelijk als uitzendkracht werkzaam bij het ministerie en werd later tijdelijk in dienst genomen. Zij verzocht om bevestiging dat haar tijdelijke aanstelling als vaste aanstelling moest worden beschouwd. De rechtbank oordeelde dat op grond van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) per 1 april 2007 een vaste aanstelling was ontstaan en vernietigde het besluit van weigering.
Verzoeker, het ministerie, stelde hoger beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening om de uitvoering van de uitspraak van de rechtbank te schorsen. De voorzieningenrechter stelde vast dat betrokkene inmiddels een andere werkkring had en niet meer aandrong op een passende functie, waardoor het spoedeisend belang ontbrak.
Ook werd niet aannemelijk gemaakt dat de hervatting van salarisbetalingen onoverkomelijke financiële problemen zou veroorzaken. De voorzieningenrechter benadrukte dat de uitspraak voorlopig van aard is en niet leidt tot een definitieve beslissing. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en werd verzoeker veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.
Uitspraak
10/513 AW-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 vanPro de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:
de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: verzoeker),
in verband met het hoger beroep van:
verzoeker
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 januari 2010, 08/7708 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoeker
en
[Betrokkene] te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
Datum uitspraak: 15 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2010. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A. Westra, werkzaam bij het Expertisecentrum arbeidsjuridisch. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. M.M.G. Weel-Krimp, advocaat te Haarlem.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Betrokkene is van 13 juli 2005 tot en met 30 maart 2007, op basis van tenminste drie contracten tussen verzoeker en [naam uitzendbureau], als uitzendkracht werkzaam geweest bij de [naam afdeling] Beheer van de Rijksgebouwendienst van verzoekers ministerie. Bij besluit van 28 maart 2007 heeft verzoeker betrokkene voor het verrichten van dezelfde werkzaamheden in tijdelijke dienst aangesteld gedurende de periode van 1 april 2007 tot 1 april 2008. Deze aanstelling is bij besluit van 18 maart 2008 verlengd tot 13 juli 2008, waarbij betrokkene tevens is medegedeeld dat haar tijdelijk dienstverband per 13 juli 2008 definitief wordt beëindigd.
1.2. Bij brief van 26 mei 2008 heeft betrokkene de directeur Beheer van de Rijksgebouwendienst verzocht te bevestigen dat haar tijdelijke aanstelling per 1 april 2007 heeft te gelden als een vaste aanstelling. Bij beslissing op bezwaar van 26 september 2008 heeft verzoeker het door betrokkene gemaakte bezwaar tegen de in een mailbericht van 9 juni 2008 neergelegde weigering van voornoemde directeur om haar verzoek in te willigen, ongegrond verklaard.
1.3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door betrokkene ingestelde beroep tegen het besluit van 26 september 2008 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van het bepaalde in artikel 6, zesde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) op 1 april 2007 een vaste aanstelling ontstaan. De rechtbank verwierp het standpunt van verzoeker dat betrokkenes verzoek dient te worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van de besluiten van 28 maart 2007 dan wel 18 maart 2008 en dat dit verzoek, nu er geen nieuwe feiten en omstandigheden aan dit verzoek ten grondslag zijn gelegd, op goede gronden is afgewezen. Evenmin volgde de rechtbank het standpunt van verzoeker dat de periode waarin betrokkene op een aantal uitzendovereenkomsten werkzaam is geweest dient te worden aangemerkt als één fictieve aanstelling, en dat om die reden niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 6, zesde lid, van het ARAR.
2. Verzoeker heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en tevens de Raad verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Als spoedeisend belang heeft verzoeker aangevoerd dat hij bij uitvoering van de aangevallen uitspraak de salarisbetaling aan betrokkene dient te hervatten en haar, omdat de werkzaamheden die betrokkene verrichtte niet meer beschikbaar zijn, een passende functie zal moeten aanbieden. Daar naar verzoekers verwachting de aangevallen uitspraak in hoger beroep geen stand houdt, zal dat betekenen dat de vaste aanstelling, die met drie jaar terugwerkende kracht zal intreden, alsdan weer ongedaan gemaakt dient te worden. Voorts heeft verzoeker aangevoerd dat de precedentwerking van deze uitspraak voor het ministerie en de hele sector Rijk zodanig is dat een spoedige duidelijke uitspraak van de voorzieningenrechter zeer wenselijk is te achten.
3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
3.1. Ingevolge artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 vanPro de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.2. Ter zitting heeft betrokkene aangegeven dat zij sedert 30 oktober 2008 een andere werkkring heeft en dat zij, gelet op het onzekere perspectief van een nieuwe aanstelling bij VROM op dit moment, er thans bij verzoeker niet op aandringt voor haar een passende functie te zoeken. De voorzieningenrechter acht op dit punt derhalve geen spoedeisend belang (meer) aanwezig. Dat de hervatting van salarisbetalingen aan betrokkene tot voor verzoekers organisatie onoverkomelijke financiële problemen leidt is door verzoeker niet gesteld en acht de voorzieningenrechter ook niet aannemelijk, zodat hierin evenmin een spoedeisend belang is gelegen.
3.3. De voorzieningenrechter erkent voorts het belang van verzoeker bij het verkrijgen van duidelijkheid omtrent de in deze zaak voorliggende geschilpunten, maar het oordeel van de voorzieningenrechter draagt slechts een voorlopig karakter en kan dus niet het door verzoeker gewenste definitieve uitsluitsel geven. Hierbij merkt de voorzieningenrechter nog op dat de aangevallen uitspraak slechts van directe betekenis is voor de rechtsverhouding tussen verzoeker en betrokkene, zodat verzoeker hangende het hoger beroep niet gehouden is op basis van de aangevallen uitspraak soortgelijke verzoeken te honoreren.
4. Op grond van het vorenstaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het verzoek om toepassing van artikel 8:81 vanPro de Awb moet worden afgewezen.
5. De voorzieningenrechter ziet tot slot aanleiding verzoeker met toepassing van artikel 8:75 vanPro de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in de onderhavige procedure. Deze worden begroot op € 322,- aan kosten van rechtsbijstand en € 17,82 aan reiskosten.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht af;
Veroordeelt verzoeker in de kosten van aan betrokkene verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 339,82.
Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2010.