Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6904

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5964 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
  • K.J. Kraan
  • G.F. Walgemoed
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 ARARArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlengde reistijd woon-werkverkeer als diensttijd bij tijdelijke verplaatsing ambtenaar

Appellant, werkzaam bij Penitentiaire Inrichting Noord, werd tijdelijk verplaatst naar een andere locatie met een langere reistijd van 57 minuten enkele reis. De minister had slechts 27 minuten van deze extra reistijd als diensttijd erkend, met aftrek van 30 minuten, wat appellant betwistte.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat het Mobiliteitsplan niet ondubbelzinnig stelde dat alleen het meerdere boven een half uur als diensttijd geldt. Gezien de context en het Sociaal Flankerend Beleid uit 2004, moet de volledige extra reistijd als diensttijd worden aangemerkt.

De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en droeg de minister op een nieuw besluit te nemen dat in lijn is met deze uitleg. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: De volledige extra reistijd van 57 minuten enkele reis wordt als diensttijd aangemerkt en het eerdere besluit wordt vernietigd.

Uitspraak

08/5964 AW Q.
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 4 september 2008, 08/392 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Minister van Justitie (hierna: minister)
Datum uitspraak: 4 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.M. Boerma, werkzaam bij Abvakabo FNV. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. de Wit, werkzaam bij Expertisecentrum arbeidsjuridisch, en F.J. Groenwold, werkzaam bij het ministerie van Justitie.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant was werkzaam als medewerker maatschappelijke dienstverlening bij Penitentiaire Inrichting Noord met als plaats van tewerkstelling locatie [naam locatie] te [vestigingsplaats]. [naam locatie] is op 23 juli 2007 tijdelijk buiten gebruik gesteld vanwege een onderzoek naar de brandveiligheid. Op 1 april 2008 is die locatie definitief gesloten. In verband daarmee is binnen Penitentiaire Inrichting Noord een reorganisatie in gang gezet.
1.2. Bij besluit van 1 augustus 2007 heeft de minister appellant met ingang van 6 augustus 2007 met toepassing van artikel 58 van Pro het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) voor de duur van zes maanden geplaatst in de functie van medewerker arbeid bij Penitentiaire Inrichting Overijssel, locatie Zwolle. Hierbij is vermeld dat is vastgesteld dat de enkele reistijd woon-werkverkeer thans 29 minuten bedraagt, dat deze reistijd door de tijdelijke verplaatsing met 57 minuten zal toenemen en dat daarvan, met inachtneming van een aftrek van 30 minuten, 27 minuten wordt aangemerkt als diensttijd.
1.3. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Hierbij heeft hij - naast andere bezwaren - naar voren gebracht dat ten onrechte niet de volledige extra reistijd woon-werkverkeer van 57 minuten als diensttijd is aangemerkt. Dit bezwaar heeft de minister bij besluit van 10 januari 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.
3.1. Het Mobiliteitsplan Penitentiaire Inrichting Noord van 4 juli 2007 (hierna: Mobiliteitsplan), dat heeft gegolden van 1 juli 2007 tot het moment dat een nieuw plaatsingsbesluit is genomen in het kader van de reorganisatie, bevatte een aantal beleidsregels ten behoeve van tijdelijke verplaatsingen binnen Penitentiaire Inrichting Noord. In het Mobiliteitsplan was onder meer het volgende opgenomen:
“Voorzieningen gebaseerd op het Sociaal Flankerend Beleid (SFB):
(..)
4. Indien als gevolg van de tijdelijke verplaatsing de reistijd woon-werkverkeer in totaliteit met meer dan een half uur per enkele reis wordt verlengd, wordt die extra reistijd door de Locatiedirecteur als werktijd aangemerkt.”
Onderaan het Mobiliteitsplan was vermeld dat nog geen sprake is van herplaatsings-kandidaten, dat daarom in de geest van het SFB wordt gehandeld en dat geen rechten kunnen worden ontleend aan het SFB.
3.2. De Raad is van oordeel dat op grond van de bewoordingen van het Mobiliteitsplan niet onmiddellijk duidelijk is of, zoals de minister stelt, bij een verlenging van de reistijd woon-werkverkeer met meer dan een half uur alleen het meerdere boven dit half uur als diensttijd moet worden aangemerkt dan wel, zoals appellant stelt, of de totale extra reistijd als diensttijd moet worden aangemerkt. Naar vaste rechtspraak van de Raad (onder meer CRvB 29 oktober 2009, LJN BK2541) brengt die onduidelijkheid mee dat de betekenis moet worden vastgesteld in de context van de regeling en met inachtneming van de strekking van de regeling.
3.3. Naar het oordeel van de Raad is de relevante context de omstandigheid dat het Mobiliteitsplan uitdrukkelijk is gebaseerd op het Sociaal Flankerend Beleid in de sector Rijk uit 2004 (SFB), zoals dat ten tijde van de totstandkoming van het Mobiliteitsplan gold. Het SFB bevatte een vrijwel gelijkluidende voorziening voor de aanmerking van de reistijd woon-werkverkeer als diensttijd bij een verlenging van die reistijd als gevolg van een (her)plaatsing. Blijkens een brief van de Hoofddirecteur Dienst Justitiële Inrichtingen van 19 december 2005 wordt binnen deze dienst de desbetreffende bepaling zo uitgelegd dat indien de reistijd woon-werkverkeer met meer dan een half uur per enkele reis wordt verlengd en de totale reistijd ten minste één uur bedraagt, de totale extra reistijd als diensttijd wordt aangemerkt. Gelet op een en ander is de Raad van oordeel dat, indien beoogd was om - in afwijking van deze uitleg - in alle gevallen alleen het meerdere boven het half uur als diensttijd aan te merken, het voor de hand had gelegen dat het desbetref-fende onderdeel van het Mobiliteitsplan dusdanig was geredigeerd dat deze bedoeling ondubbelzinnig tot uitdrukking was gekomen. Dit is echter niet gebeurd. Naar het oordeel van de Raad brengt een redelijke uitleg van het Mobiliteitsplan in dit geval dan ook mee dat de totale verlenging van de reistijd woon-werkverkeer, zijnde 57 minuten enkele reistijd, als diensttijd moet worden aangemerkt. De omstandigheid dat, zoals de minister naar voren heeft gebracht, in een nieuwsbrief van het crisisteam [naam locatie] van 26 juli 2007 een andere uitleg is gegeven aan het desbetreffende onderdeel van het Mobiliteitsplan, doet daar naar het oordeel van de Raad niet aan af.
3.4. Uit hetgeen is overwogen in 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het hoger beroep doel treft en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit zal alsnog gegrond worden verklaard en dat besluit zal worden vernietigd. De minister zal hierbij worden opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
4. De Raad ziet tot slot aanleiding om de minister met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor in beroep verleende rechts-bijstand en op € 644,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand en op € 22,80 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 1.310,80.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Draagt de minister op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;
Veroordeelt de minister tot vergoeding van de door appellant gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.310,80;
Bepaalt dat de minister aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 359,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2010.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) I. Mos.
HD