ECLI:NL:CRVB:2010:BL6744
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- A.A.H. Schifferstein
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen vaststelling WGA-uitkering wegens ontbreken procesbelang
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV waarin een loongerelateerde WGA-uitkering werd toegekend op basis van een vastgesteld wettelijk maximumdagloon en een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een procesbelang, omdat de vaststelling van het ongemaximeerde dagloon in dit stadium geen invloed had op de uitkering zonder verworven inkomen.
Appellant stelde dat het dagloon bij toekenning van de uitkering moet worden vastgesteld en niet later, maar de Raad oordeelde dat het bezwaar zich uitsluitend richtte op het ongemaximeerde dagloon dat geen invloed had op de hoogte van de uitkering zonder inkomen.
De Raad bevestigde dat het UWV het ongemaximeerde dagloon alleen berekent om te toetsen aan het wettelijk maximumdagloon en dat bezwaar tegen de vaststelling van het ongemaximeerde dagloon pas mogelijk is bij het vaststellen van een korting wegens inkomen.
Daarom heeft appellant geen procesbelang bij het aanvechten van de toekenning van de WGA-uitkering en is de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar terecht.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant tegen de toekenning van de WGA-uitkering wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.