ECLI:NL:CRVB:2010:BL4293

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1239 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:26 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens overlijden appellant zonder opvolging

De appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht inzake een WIA-zaak. Tijdens de procedure is appellant medio 2008 overleden. Pogingen om erfgenamen te vinden die het geding wilden voortzetten, zijn niet geslaagd. Na een oproep in de Staatscourant hebben geen belanghebbenden zich gemeld om als partij het hoger beroep voort te zetten.

De Raad heeft het hoger beroep aan de orde gesteld op 6 januari 2010, maar niemand verscheen namens appellant. Het UWV was wel vertegenwoordigd. De Raad oordeelt dat het hoger beroep niet langer ontvankelijk is omdat het procesbelang is komen te vervallen door het overlijden van appellant zonder opvolging.

Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk en beëindigt de procedure. De uitspraak is gedaan door rechter H. Bolt op 17 februari 2010.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overlijden appellant zonder opvolging.

Uitspraak

08/1239 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
wijlen [naam appellant], in leven laatstelijk gewoond hebbende te Hoensbroek (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 januari 2008, 07/1077,
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 februari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.A. van der Made, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. Van der Made heeft nadien de Raad schriftelijk meegedeeld dat appellant medio 2008 is overleden en dat het hem niet is gelukt om de erfgenamen op te sporen. Hij heeft verzocht om de procedure op basis van de stukken voort te zetten en te kennen gegeven dat hij niet bij de behandeling van de zaak ter zitting aanwezig zal zijn.
In de Staatscourant van 2 december 2009 is de in artikel 8:26, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde aankondiging van de zaak gedaan.
Het geding is aan de orde gesteld op 6 januari 2010. Voor appellant is niemand verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.W. Huiskamp.
II. OVERWEGINGEN
Naar het oordeel van de Raad is het hoger beroep, gelet op de in rubriek I beschreven feiten, niet (langer) ontvankelijk. Daartoe overweegt de Raad als volgt.
De indiener van het hoger beroep, [naam appellant], is overleden. Niet kan worden gezegd dat de overledene enig belang heeft bij de voortzetting van het geding. De Raad is niet gebleken van erfgenamen die appellant als partij in het onderhavige geding zijn opgevolgd en die het geding zouden willen voortzetten.
Na ’s-Raads oproep in de Staatscourant hebben geen belanghebbenden verzocht als partij aan het geding deel te mogen nemen.
De Raad komt derhalve tot het oordeel dat het processuele belang aan de beoordeling van het hoger beroep is komen te ontvallen, zodat het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.
(get.) H. Bolt.
(get.) A.L. de Gier.
IvR