ECLI:NL:CRVB:2010:BL3646
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- R. Kooper
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Vaststelling vermogen en terugvordering bijstand na ontvangst erfenis
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en erfde een bedrag na het overlijden van zijn moeder. Het College stopzette de bijstand en vorderde terug te veel ontvangen bijstand terug, berekend op basis van het vermogen op de peildatum. Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering en stelde dat kosten voor een vliegreis naar de Filippijnen in mindering moesten worden gebracht.
De rechtbank vernietigde het terugvorderingsbesluit deels, waarna het College een nieuw besluit nam. In hoger beroep oordeelt de Raad dat de kosten van de vliegreis niet op de peildatum bestonden en dus niet in mindering kunnen worden gebracht. Tevens oordeelt de Raad dat het College onrechtmatig de interingsfactor verlaagde, wat een verslechtering van appellant's positie opleverde (reformatio in peius).
Verder was het College onredelijk door geen gebruik te maken van de bevoegdheid om bijstand als geldlening te verstrekken, waardoor fiscale gevolgen voor rekening van het College komen. De Raad vernietigt het nieuwe besluit en stelt het terug te vorderen bedrag vast op €1.021,91. Daarnaast wordt het College veroordeeld tot een aanvullende schadevergoeding van €400 wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende causaal verband.
Uitkomst: Het terug te vorderen bedrag wordt vastgesteld op €1.021,91 en het College wordt veroordeeld tot een aanvullende schadevergoeding van €400 wegens overschrijding van de redelijke termijn.