ECLI:NL:CRVB:2010:BL2801

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6478 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Schattingsbesluit
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging gedeeltelijke WAO-uitkering na medische en arbeidskundige beoordeling

Appellant, werkzaam als veldmedewerker bij een archeologische dienst, meldde zich in november 1999 ziek met psychische en later ook gewrichtsklachten. Vanaf november 2000 ontving hij een WAO-uitkering van 45 tot 55% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2007 door verzekeringsartsen werd vastgesteld dat appellant lichte energetische beperkingen had, zonder noodzaak voor urenbeperking, en dat er geen verlies aan verdienvermogen was. Het UWV trok daarop de WAO-uitkering per november 2007 in.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het intrekkingsbesluit ongegrond, waarbij zij de medische en arbeidskundige grondslagen onderschreef. Appellant voerde in hoger beroep aan dat een urenbeperking nodig was omdat hij alles in eigen tempo moest doen en zijn klachten onverminderd aanwezig waren. De Raad oordeelde dat het standpunt van de verzekeringsartsen berust op zorgvuldig onderzoek en dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) in voldoende mate rekening hield met de beperkingen.

De arbeidskundige beoordeling ondersteunde de schatting van belastbaarheid op functies als productiemedewerker industrie, sorteerder en wikkelaar, met een reservefunctie als elektronica monteur. De Raad vond de rapportages voldoende onderbouwd en zag geen aanleiding om de eerdere uitspraak te wijzigen. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Appellant verscheen niet bij de zitting en er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de gedeeltelijke WAO-uitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

08/6478 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 oktober 2008, 08/2201 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 5 februari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Tevens is overgelegd een rapport van bezwaararbeidsdeskundige D.L.A. Politon van 22 december 2009.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2010. Appellant is, zoals tevoren was bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.C. Rijk.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant was werkzaam als veldmedewerker archeologische dienst toen hij zich op 23 november 1999 ziek meldde met psychische klachten. Later kreeg hij ook gewrichtsklachten. Aan appellant is met ingang van 21 november 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
2. Appellant is in het kader van een herbeoordeling in verband met het met ingang van 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit op 11 juni 2007 onderzocht door de verzekeringsarts P.B.J.M. Wessels. In een rapport van 11 juni 2007 beschreef Wessels de klachten, het dagverhaal, alsmede het psychisch en lichamelijk onderzoek. Er is sprake van een lichte energetische beperking (maar geen noodzaak voor een urenbeperking) alsmede beperkingen op het psychische en lichamelijke vlak. Verzekeringsarts R. Bhaggoe verrichtte een tweede verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 22 juni 2007. Deze arts concludeerde op 25 juni 2007 eveneens dat er sprake is van lichte energetische beperkingen. Op 12 juli 2007 heeft Wessels het onderzoek voltooid en de beperkingen van appellant vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek na functieduiding vastgesteld dat er geen sprake was van verlies aan verdienvermogen. Hierna trok het Uwv bij besluit van 6 september 2007 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 6 november 2007 in.
3. In de bezwaarprocedure concludeerde de bezwaarverzekeringsarts A.M. Blaauw-Hoeksma in een rapport van 8 februari 2008 dat in de FML voldoende rekening wordt gehouden met het door de verzekeringsartsen geconstateerde beeld. In bezwaar werd geen informatie ingebracht die een ander licht werpt op de medische problematiek, daarom is de bezwaarverzekeringsarts van mening dat er geen andere beperkingen aan te geven zijn. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 7 maart 2008 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 september 2007 ongegrond.
4. In beroep stelde appellant dat hij als gevolg van zijn aandoeningen fibromyalgie, chronisch vermoeidheidssyndroom, posttraumatische stressstoornis en persoonlijkheidsstoornis niet in staat is tot normaal dagelijks functioneren laat staan tot het verrichten van loonvormende arbeid. Appellant acht zich door de verzekeringsartsen niet serieus genomen en stelde dat de FML niet in overeenstemming is met de klachten en beperkingen.
5.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 7 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond.
5.2. De rechtbank onderschreef - kort gezegd - de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De stelling van appellant dat te weinig rekening is gehouden met zijn klachten kan volgens de rechtbank niet worden gevolgd nu de verzekeringsartsen, zoals blijkt uit de stukken, rekening hebben gehouden met de klachten van appellant, met de informatie van de huisarts van 11 juni 2007 en het expertiserapport van psychiater E.F. van Ittersum uit 2001. Hierin zag de rechtbank geen aanknopingspunten voor het aannemen van meer of ernstigere beperkingen dan zijn neergelegd in de FML. Voorts zag de rechtbank geen aanleiding om het standpunt van de verzekeringsartsen omtrent de medische urenbeperking voor onjuist te houden.
6. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het niet zo is dat er geen duurzaam benutbare mogelijkheden zijn, maar dat appellant alles in zijn eigen tempo moet doen en dat daarom een urenbeperking is geïndiceerd. De redenen waarom in 2001 een urenbeperking is gesteld gelden nog steeds want de klachten die er toen waren zijn nog onverminderd aanwezig.
7.1. De Raad heeft evenals de rechtbank geen aanleiding gezien om de voor appellant vastgestelde beperkingen voor onjuist te houden. De Raad is van oordeel dat het standpunt van de verzekeringsarts(en) over appellants mogelijkheden tot het verrichten van arbeid berust op een zorgvuldig onderzoek; appellant is door twee verzekeringsartsen gezien en bij de beoordeling is de beschikbare medische informatie betrokken. De bezwaarverzekeringsarts kwam na heroverweging tot de conclusie dat in de FML in voldoende mate rekening is gehouden met het geconstateerde beeld en zij achtte geen noodzaak aanwezig voor het opleggen van een sterkere beperking van de mogelijke arbeidsomvang dan de lichte urenbeperking van ongeveer 8 uur per dag en 40 uur per week die in de FML is opgenomen. In hoger beroep is namens appellant geen nieuwe medische informatie overgelegd. Aan de eigen mening van appellant met betrekking tot de noodzaak van het stellen van een grotere urenbeperking kan de Raad niet het gewicht toekennen dat appellant daaraan gehecht wil zien.
7.2. De arbeidskundige kant van de schatting is toegelicht in de rapportages van 30 augustus 2007 en 22 december 2009. Gelet op de laatste rapportage berust de schatting uiteindelijk op de functies productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), sorteerder (sbc-code 111340), wikkelaar (sbc-code 267040) terwijl de functie elektronica monteur (sbc-code 267040) als reservefunctie is vermeld. De markeringen die zijn aangegeven in het ‘Resultaat functiebeoordeling’ zijn naar het oordeel van de Raad voldoende toegelicht in de rapportage van 22 december 2009. De Raad is dan ook van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in overeenstemming zijn met de voor appellant vastgestelde belastbaarheid.
7.3. De overwegingen 7.1 en 7.2 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
8. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2010.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) M.A. van Amerongen.
EF